maandag 23 maart 2026

Pierre H. Dubois • Piepkleine bloemlezing

Een kleine (willekeurige) keus uit de gedichten van Pierre H. Dubois (1917-1999).

•••

Dromen en Wonderen (VII)

Wanneer ik oplos in de droom, die ik nooit droom,
wek mij dan niet, maar gun mijn slaap dit recht.
Denk niet van mij, dat ik voor waarheid schroom,
ik wist maar al te vaak: dit is niet echt.
Maar als ik slaap, dan is haar droom in mij
en zegt mij alles wat ik wilde weten,
dat zij nog leeft en mij niet is vergeten
en andere lieve leugens over mij.

•••

Najaar
 
Ik draag mijn gezicht van binnen
en mijn glimlach blijft onbereikbaar.
Mijn ogen zien slechts in het donker
de putten zonder bodem.

Geluiden die door mijn oren
binnendringen versmallen
tot een ver gekreun, een galm
die snel verstomt.

Ik ben zonder echo, een holte
vermomd door een buitenkant,
minder, oneindig minder
dan een handschoen om een hand.

•••

En het gebeurde
 
En het gebeurde opnieuw - de wind waaide
het gras loste zijn zaad en zaaide

over de vlakte torende hoog
stof in wolken dat voortbewoog

en even later langzaam daalde
tussen het zand - tot het zich herhaalde

en het weer gebeurde, de wind waaide
en het gras zijn zaad loste en zaaide.

•••

Dialoog

- Je hebt geweten dat ik op je wachtte!
- Ik vond de weg niet terug naar je blik.
- Omdat jouw oogopslag de mijne verachtte?
- Omdat ik geen afstand kon doen van mijn ik...
- Ik bleef alleen in een woestijn van zand -
- Geen sterrenbeeld sindsdien, geen schaduw onder maanlicht.
- Slechts nacht rondom, dierkreten die bedrogen.
- 't Verlangen naar een vlam, uitslaande brand...
- ... sinds lang geblust in allebei mijn ogen.

•••

Sonnet

Onder 't rosse maanlicht glanst het groen
anders dan bij 't schittren van den regen;
als de struiken - schromend haast - bewegen,
voelt men soms de neiging mee te doen.

Is 't een gril?... dàn een van het seizoen
waarin de vroeg're dade' ons niet meer wegen,
en wij, beurtelings dapper of verlegen,
't lot bepalen laten door een zoen.

Het gaat voorbij. Wij zuchten eenmaal: Lethe!
en doen een leven lang of wij niet weten,
dat alles eender is en om het even:

een avond met wat maanlicht over 't groen,
het kwaad dat menschen aan elkander doen,
de vreugd van vroeger, 't leed van later: leven.

•••

Moment

Vanwaar gedreven
naar waar?
Even mijn lief, even
zijn wij maar bij elkaar.

Van het eeuwige vergeten
is dit ene ogenblik
al wat wij zullen weten
jij mijn lief en ik.

•••

Stadsbeeld

Het huis waarin zij woont,
het hek, de stoep en, vaal,
het donker trapportaal.

De lamp die daarin brandt,
zij in een jurk van kant
met zwarte rand omzoomd

tegen de deur geleund,
houdt als een witte streep
haar hand met sigaret

genageld in een greep
aan 't rasterwerk dat kreunt,
en overschaduwt het.

•••

Het ene

Vanaf een verdieping, de negende,
(zonder te zien)
noteert mijn blik in de verte
wat voorbijgaat, wolken, trams, auto’s,
dichterbij vogels,
in struiken de onzichtbare wind.
 
Omgekeerd evenredig
zwelt verleden aan, krimpt toekomst in
behalve dat ene
door geen kernfysicus benoemd
door geen priester bezworen
door geen filosoof verklaard
almachtig
volmaakt onaantrekkelijk
Niets.

•••

Nogmaals

Als ik het weer opnieuw zou moeten doen
en dan een wens, zoals het is in sprookjes
die in vervulling gaan, zou mogen uiten –
dan zou het zijn opnieuw met jou
’t geluk dat ons alleen was toegestaan
achter gordijnen van verdriet en pijn
te herbeleven. Met één klein verschil:
dat telkens als ik je verdriet gedaan
en van je dwaalde – eenzamer dan ooit
Odysseus aan Kalypso’s borst
Penelope verried –
er nu een lijfwacht om mij heen zou staan
en van mij weren zou wat jou bedreigt,
opdat ik jouw gezicht zou blijven zien
zoals ik het nu zie, zo weerloos
en zo kwetsbaar, en zo schoon.