zondag 30 augustus 2020

CV & abonneren

"Een bloemlezing in dagelijkse afleveringen."
• Het cv van het Laurens jz. Coster-project.
• Abonnee worden (gratis) van de dagelijkse Coster-gedichten kan hier

Saffo-fantasie • H.Th. Boelen


• Hendrik Theodorus Boelen (1825-1900) was cargadoor en scheepsreder, maar ook (toneel)schrijver (onder het pseudoniem N. Donker). Hij schreef waarschijnlijk de eerste Nederlandse sonnettenkrans (een cyclus van veertien sonnetten waarvan de laatster egel van het ene sonnet steeds de beginregel is van het volgende sonnet, met afsluitende vijftiende sonnet dat bestaat uit alle beginregels), die werd gepubliceerd in de door hem samengestelde Noord- en Zuid-Nederlandsche Tooneel-almanak voor 1876.


SAFFO-FANTASIE

SONETTEN-KRANS,
aangeboden, met de vertaling van Grillparzer's Tragedie, aan
Mevrouw RENNEFELD-LOWENSTAM.


De historische Saffo

Drong daar zelfs door, hoe diep dan ook verscholen,
Historievorschers blik, die de oudheid als doorziet,
En met een critisch oog het kaf van "t koren wiedt,
De waarheid speurt en opheft uit haar holen,
Het volk gelooft al 't geen het is bevolen;
't Praat alles kleurloos na; maar weten doet het niet
Eentoonig als de taal, die "t water van den vliet
Staâg hooren doet, steeds klaatrend op den molen.
De wetenschap heeft Saffoos daân ontdekt,
Dat Faon nooit haar min heeft opgewekt,
Geen wanhoop ook haar dichterhart bewogen,
Haar gaaf heeft Lesbos' jeugd tot heil verstrekt,
Haar leven door geen zelfmoord is bevlekt,
Door de eeuwen heen ligt klaar voor veler oogen.


De mythische Saffo

Door de eeuwen heen ligt klaar voor veler oogen,
Ja, klaarder nog dan wat geschiednis meldt,
Hoe Faon haar op haren tocht verzelt,
Haar teedre min, en hoe zij werd bedrogen.
Men hoort haar klacht; men ziet haar diep bewogen,
En, daar haar 't leven niets dan onheil spelt,
Breekt zij den band, die haar te pijnlijk knelt,
Opdat haar dood haar roem nog moog' verhoogen.
Wat Clio meldt laat koud de kunstenaren,
In Saffo's beeld zij 't beeld der min ontwaren;
Haar lied is van die min de trouwe tolk.
Wat poëzie bezielt leeft voort na jaren,
Ja, eeuwig blijft, gedragen door de scharen,
Wat eens 't genie deed schittren voor een volk.


Grillparzer's Saffo

Wat eens 't genie deed schittren voor een volk,
Brengt vruchten voort, ook nog in laatre tijden;
Ook thans, als toen, valt menigeen in 't strijden,
In 't hart gewond door wanhoop's scherpen dolk.
Nog schept genie een gloedrand om de wolk,
Verkwikt ons nog en schenkt een zoet verblijden,
Ook waar wij zien het lot van hen, die lijden,
't Wordt alles goud, is slechts 't genie de tolk.
Wat eens bewaard werd, houdt de kiem ten leven ...
Zoo kan de korrel graan weêr vruchten geven,
Bij mummiën gelegd door Rhamses volk;
Zoo kan weer Saffo-zelf voor onze blikken zweven,
Ja, in haar nieuw gewaad op nieuw voor ons verheven,
Gelijk het licht, dat doordringt door de wolk.


Idealen

Gelijk het licht, dat doordringt door de wolk,
Bij 't levenwekkend stralenschieten,
Natuur verkwikt en doet genieten,
En vreugd verwekken zal by heel het volk, ...
Zoo is 't ... ja! meer zelfs voor den dichter, tolk
Der eeuwge bron, die steeds blijft vlieten,
Ook voor wie hier het leven lieten,
En weêr tot leven wekt in 's afgronds kolk.
Daar rijst de hemel voor zijne oogen,
Hij ziet de Godheid in den Hoogen.
Bezielend door zijn ideaal,
Zingt hij zijn lied en innig diep bewogen,
Gevoelt hij, hoe zijn godentaal
Bij oud en jong de vreugde zal verhoogen.


Het levend woord

Bij oud en jong de vreugde zal verhoogen
Het ideaal, als 't goed begrepen wordt,
Het ontevreden volk, dat schimpt en mort,
Aan damp en mist, zij 't tijdlijk, wordt onttogen.
Eens dichters taal is duister voor zijne oogen,
Schoon 't enkel aan geoefendheid hem schort;
Maar wordt de paarlenschat hem ingestort
Door 't oor in 't hart, gevoelt het zich bewogen.
Laat poëzie dan klinken door de zaal;
Zij zal bij 't volk weêrklinken duizendmaal,
Verstommen doen en wrevel, wrok en logen,
Mits dat het woord zij levend door de taal,
De kunst het beeld ons klaar voor de oogen maal' ...
Ach! zonder kunst is ieder beeld omtogen.


Grillparzer

Ach, zonder kunst is ieder beeld omtogen!
Wat uit de ziel komt, tot de ziele gaat.
Wat hartstocht is, hetzij dan liefde of haat,
Treft immer, als 't veredeld treedt voor oogen.
De mensch, waar hij verkeert, voelt zich bewogen,
Zoodra hij ziet een menschelijke daad.
Het kunstgewrocht, dat, als 't zijn volk verlaat,
Zijn kracht verliest, dat werk is ras vervlogen.
Wat leven heeft, zal eeuwig blijven leven,
En overal, waar menschen denken, streven.
Wie dichter is, leeft niet slechts voor één volk.
Moog' dan uw beeld, o Duitscher! voor ons zweven,
Ja! ons verrukken zelfs, zij 't ook omgeven
Als met een floers, der droefheid sombre tolk.


Kleine-Gartman

Als met een floers, der droefheid sombre tolk,
Ze omhuld is,... als met lachjes om den mond
Ze ons tegen treedt,... zij overwint terstond
En overal, bij priester, vorst en volk.
Reeds zien wij in haar hand de blanke dolk;
Reeds hooren wij wat kwelling ze ondervond;
Wij voelen hoe zij is in 't hart gewond,
En zien haar storten in des afgronds kolk.
Grillparzer heil! ... Gij hebt een tolk gevonden!
Heel Nederland zal uwen roem verkonden.
Voor Neêrland dringt uw straal ook door de wolk,
En Saffoos groote naam klinkt thans uit duizend monden ...
God lof! want wordt geen licht uit hooger sfeer gezonden,
De schoonste gaarde is slechts een zwarte kolk.


Faon

De schoonste gaarde is slechts een zwarte kolk
Voor 't hart des jongelings, waarin toch de eerzucht brandt
Hij minacht wat hij ziet, droomt zich een vaderland,
En vindt geen ideaal bij eigen volk.
Het vreemde schijnt van 't hart de zuivre tolk
En grijpt hem in 't gemoed... Verrukking overmant
Zijn gansche wezen, zelfs zijn hart en zijn verstand.
Zie 't fonklend oog!... Het bliksemt uit de wolk!
Toch grijpt hij, bij het ommedwalen,
Maar al te vaak naar idealen,
En vindt, na korten tijd, zich wreed bedrogen...
Zoo kan in schitterende zalen
Het fonklend kunstlicht ons bestralen,
Als niet de zon verrijst aan 's hemels bogen.


Melitta

Als niet de zon verrijst aan 's hemels bogen.
Gij zijt die zon, Melitta!... Ge overwint.
Als gij verschijnt, o rein, aanvallig kind!
De jongling voelt: uw ziel spreekt uit uwe oogen,
En als gij schreit, hoe wordt zijn ziel bewogen;
Want Meêly is vaak Liefdes trouwe vrind,
Sinds hij uw tranen zag, hij vurig mint,
Slechts voelt dat gij zijn weelde kunt verhoogen.
Of zal hij nog naar idealen streven?
Uw eenvoud, uw natuur is ziel en leven.
Daar, waar de reinheid zich aan schoonheid paart,
Voert zij de ziel des stervlings hemelwaart.
Hoe kan een vrouw ooit rijker schatten geven?
Materie ... ligt bedolven onder de aard.


Rhamnes

Materie ligt bedolven onder de aard.
Verscholen zijn al de edele metalen.
Door moeite alleen kan men dien prijs behalen,
En heeft men 't goud,... nog is het niet veel waard!
Zijn glans wordt dan slechts niet geëvenaard,
Als 't door polijsting voor elks oog kan pralen;
Dan is 't een schat; met woeker zal 't betalen
Al de energie, waarmede 't is vergaard.
Die weet "te tempren door welluidendheid,"
't Genie door wetenschap ten goede leidt,
Voor zulk een heerlijk doel geen zorgen spaart,
Heeft voor den mensch een kostlijk goed bereid,
Dat goed, waar menigeen vergeefs om vleit
Is goud en diamant u... alles waard!


Eucharis

Is goud en diamant u alles waard,
Dan is geen kunst voor u geboren.
Het schoonste landschap gaat verloren,
Heeft men geen oog voor 't schoon der aard
Maar wie geoefendheid aan kunstmin paart,
Geniet met oog en ooren.
Wat andren nauwlijks hooren,
Voert hij nog meê naar eigen haard.
Een klein verhaal, met kunst geschreven,
Is dikwijls in ons brein gebleven ...
Zoo blijv' haar taal dan niet voor ons verscholen.
Wordt, kunstnaar! door uw streven
Ook 't kleine niet verheven,
Begraaf u dan in diepe, donkre holen!


Het Volk

Begraaf u dan in diepe, donkre holen,
Is kunst voor u slechts zinnelijk genot,
Uw woord sticht kwaad; vergiftigd is uw spot,
Gij, die der maagd de reinheid hebt ontstolen.
Wij zien het toch, om eenzaam rond te dolen
Is van het waar talent, helaas, vaak 't lot!
Bedorven is het volk door vod bij vod.
Men haakt op elk gebied naar beetre scholen.
Eén school toch is er reeds, waar aesthetiek
Inheemsch is, waar de tale wordt muziek.
U roep ik toe, o volk, mij dier en waard,
Niet op de straat, niet onder úw publiek
Leert gij 't begrip van taal en van mimiek!...
Maar voelt ge 't niet, 't worde u geopenbaard.


Movrouw Rennefeld-Lowenstam

"Maar voelt ge 't niet, 't worde, u geopenbaard,"
Ik dacht aan hem, met U vereend in trouwe
Toen ik dit zong, en ook aan u Mevrouwe!
O, kom bij 't feest! ... Uw bijzijn is mij waard;
Want als daarginds de menigte is geschaard,
Zit menigeen er ligt, die 't zich berouwe ...
Slechts Offenbach beheerscht thans jonge en ouwe!
Verheven kunst, ... zij schijnt gevaagd van de aard!
Wel hem dan nog, wiens blik toch soms een wezen
Van smaak ontmoet ... Wat schoon is, uitgelezen,
Vindt meestal slechts verblijf hij eigen haard.
Do kunstgod is de Zon ... Werk voort dus zonder vreezen!
De Zon dringt in Uw huis ... Zal 't volk ook dáár genezen?
De zon heeft ook de schatten dáár vergaard!


N. Donker

De zon heeft ook de schatten daar vergaard,
Waar dichtkunst gloeit in 't menschelijke hart.
O! voelde een elk den waren toon der smart,
Dan ware een elk het prachtig schouwspel waard.
Slechts dáár, waar kunst aan ware kunst zich paart,
Daar schenkt zij gloed, die elke koude tart.
O, als 't tooneel alleen betreden werd
Door kunstenaars van Kleine's eedlen aard ...
Grillparzer, goede spelers, goed publiek,
Wat waar' dat al te zamen magnifiek!
Voorzichtig! ... Er ligt nog iets in den molen!
Vertaler, ge eischt te veel! ... Is 't volk zóó ziek?
Wie weet, uw taal, klonk zelve ze als muziek,
Drong daar zelfs door, hoe diep dan ook verscholen.


Slotzang

Door de eeuwen heen ligt klaar voor veler oogen,
Wat eens 't genie deed schittren voor een volk,
Gelijk het licht, dat doordringt door de wolk,
Bij oud en jong de vreugde zal verhoogen.
Ach! Zonder kunst is ieder beeld omtogen
Als met een floers, der droefheid somb’re tolk.
De schoonste gaarde is slechts een zwarte kolk
Als niet de zon verrijst aan ’s hemels bogen.
Materie ligt bedolven onder de aard.
Is goud en diamant u alles waard,
Begraaf u dan in diepe, donkre holen.
Maar, voelt ge ’t niet, ’t worde u geopenbaard:
De zon heeft ook de schatten daar vergaard
Drong daar zelfs door, hoe diep dan ook verscholen.


dinsdag 28 april 2020

Lucebert's meepse barg

Lucebert's gedicht 'Aan Lesbia' begint met de regels:
De oude meepse barg ligt
nimmermeer in drab
maar voorgoed op zachte kussens onder - uitgerekend -
de weelderigste boom
Er is veel over deze regels geschreven, en dan vooral rond de vraag of het ertoe doet of je weet wat meepse barg betekent. Ilja Leonard Pfeijffer (in 'De mythe van de verstaanbaarheid') vond het de mooiste regels uit de Nederlandse poëzie, totdat hij opzocht wat meepse barg dan wel betekende - toen was de charme er een beetje af: "En toen heb ik, op een kwade dag, het woordenboek gepakt om ‘meeps, bn’ en ‘barg, zn’ op te zoeken. Daar heb ik spijt van. Nu ik weet wat deze woorden betekenen, hebben de verzen aan betekenis ingeboet. De toverspreuk doet het niet meer." Dus als u met Pfeijffer liever het mysterie in stand wilt houden en niet wilt weten wat een 'meepse barg' is, lees dan niet verder.

Meeps, aldus het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), betekent als het om levende wezens gaat 'tenger, niet fors' of 'ziek en zwak'. 17de-eeuwer  Jacob Cats gebruikte het woord graag; zo dichtte hij over de liefde, die je omzichtig moet behandelen: "t Js meeps en tangher, naeckt en bloot. / Ten can niet draghen sulcken stoot."

Een barg, zo schrijft het WNT, is een 'gesneden beer, gelubd mannetjeszwijn'. (U zou het woord kunnen kennen uit de carnavalshit 'Een barg die hé een krul in de steert' van De Aal). Een meepse barg is dus een ziekelijk, gecastreerd varken*.

Het is overigens niet helemaal duidelijk wie Lucebert op het oog had met die omschrijving, maar waarschijnlijk toch de in het gedicht aangesproken Lesbia ofwel haar moeder. 'Zieke zeug' zou dan gezien het geslacht toepasselijker zijn geweest - maar daarmee had het gedicht nooit zoveel aandacht gekregen.

* Over de etymologie van barg vermeldt het Etymologiebank: "Vroeger castreerde men varkens door de teelballen murw te slaan. Misschien is het woord zo etymologisch verwant met pgm. *berjan- ‘slaan’ (ohd. berian; on. berja), dat teruggaat op pie. *bherH- ‘slaan, kloppen, met een scherp werktuig bewerken’."

donderdag 30 januari 2020

Astrid Lampe • Een sterke suikerlobby

Twee knipplakgedichten van Astrid Lampe, afkomstig uit Een sterke suikerlobby, het alternatieve Poëzieweekgeschenk van uitgeverij crU, verkrijgbaar in geselecteerde boekhandels.



































woensdag 11 december 2019

Het mooiste theaterlied van 1919, door Jacques Klöters

Ook dit jaar had de jury het zwaar om het mooiste theaterlied van 1919 uit te kiezen.
Speenhoff drong met maar liefst twee liedjes door tot de eindselectie, met 'De zieke millionair' en met het innige duet 'De filosoof en het meisje' waarin de refreinregel 'Kind ik hou van jou' steeds rustig wederkeerde.
Willy Derby is thans na den grooten oorlog wel een van de meest naar voren tredenden jongeren. 'Het fiere schooiershart' dat hij zoo hartstochtelijk dramatisch zong op tekst van Otto Zegers is aan een opmars begonnen en zou wel eens een klassieker kunnen worden. Derbys liederen worden gefloten door slagersknechten en klinken in huiskamers en naaiateliers. Zijn lied 'Moeder' dat de getalenteerde Ferry van Delden voor hem schreef, getuigt van zijn nimmer aflatende populariteit en is het succes van den dag.
Maar er zijn andere jongeren die hem naar den kroon steken, zoals de voormalige groentenboer Kees Pruis die dan weer gul vroolijk dan weer smartelijk zijn repertoire brengt. De bekende toonzetter Willem Ciere, wie kent niet zijn potpourri's, bracht passende muziek aan onder het gevoelige lied 'Kindjes laatste wens' dat sommige juryleden wel èrg sentimenteel vonden. Maar sentimentele liederen zijn thans jè van hèt.
Verrassend kwam de jonge dichter-zanger James Cohen van Elburg voor den dag met zijn 'Izak Meijers wiegelied' waarin we de gein en de melancholie van het oude volk terughoorden.
Dirk Witte, onze eminente componist en tekstschrijver die elk jaar hooge ogen gooit - weet u nog twee jaar terug met zijn 'Mensch durf te leven'? - Nu was daar Nocturne, een plaatje van een lied met een melodie die je niet loslaat en een vertolkster, Stella Fontaine die een van den eersten onder onze voordrachtskunstenaressen is.

Maarrr, de absolute winnaar dit jaar is een lied waarbij men het uitgeschaterd heeft, een vaardig geschreven tekst met veel geestige zetten erin die tijdloos lijken, waar nog veel vervolgen op kunnen komen, een stukje volksleven dat niet mag verdwijnen, eminent gezongen door den Jordaanzanger Eduard Kapper, geschreven door denzelfden Ferry van Delden die ik daarstraks al noemde; het beste theaterlied van 1919 is "De begrafenis van Manke Nelis!"

Eduard Kapper en Ferry hebben speciaal voor vandaag een vervolg erop geschreven:

De terugkomst van Manke Nelis

'k Bezong u Manke Nelis zijn begrafenis
Maar nu komt het mooiste nog pas aan
Ik zal u nu het laatste nieuws vertellen gaan
'k Wed dat u versteld ervan zal staan
Ze zaten in de kroeg zoals ik u reeds heb verteld
Toen plotseling Dronken Toon lijkwit naar binnen kwam gesneld

Hij riep: Jongens, een glas water voor de schrik
D'r is een wonder pas gebeurd, mensen, ik stik
Want zo- even komt de man van het kerkhof bij me aan
Die vertelt mij dooie Nelis is zojuist weer opgestaan
Hij was maar schijndood is zoëven woest gestemd
Uit z'n kuil geklauterd en zo in z'n hemd
Fijn gewandeld naar de dijk
en daar zit 'ie nou te kijk
Als het tweede nagemaakte levend lijk"

Als antwoord klonk een rauwe kreet toen door de kroeg
Een ieder stond genageld aan de grond
Dronken toen van schrik elkanders glaasie leeg
Keken stom verslagen in het rond
En Schele Dries die riep "D'r moet gehandeld worden vlug
Bestel die stoet opnieuw, dan halen we Nelis weer terug"

Dat was goed en zo gezegd zo ook gedaan
En even later zag je voor het kroegie staan
De koets en bakkies die 'em 's morges weg hadden gebracht
En al de kraaien liepen in hun officiële klederdracht
En toen reed de vreemde stoet met veel bekijks
Weg om Nelis op te halen van de dijk
"Kijk eerst goed", riep Rooie Chris,
"of het die manke degelijk is
Komt mij te link voor hoor, die hele bissenis.

En onderweg kwam Gerrit plots op 't idee
"We binne abuis zeg, stop er es koetsier
Wat mot die lijkkoets zeg, 't is geen begrafenis nou
We motten 'em halen in een Jan Plezier"
"Da's waar ook", riep een elk, "daar hebben wij niet aan gedocht
En daarom werd er gauw een bruiloftswinkel opgezocht
En ze hebben wijl er stevig werd gebierd
Eerst de koets met slingers helemaal versierd
Met lampions en vlaggen en al de kraaien, wat een mop
Zetten allemaal een bruiloftsmutsie boven op hun kop

En zo kwam de hele boel, wie doet je wat
Aan de dijk waar Nelis in z'n hempie zat
Ze droegen hem rond en hesen hem toen
Met een kruikie Bols en een fles citroen
De koets in tussen al de slingers en het groen

Maar toen werd in de Spaarndammerstraat weer gestopt
Bij hetzelfde kroegie van die Rooie Bart
Maar Nelis riep "Rij door, want anders blijf ik hier
Misschien weer staan al onder het biljart"
En hossend, zingend is het stel de stad weer doorgegaan
Kwam de versierde rouwstoet weer terug in de Jordaan

Nelis sprong toen in z'n hempie op de bok
Riep "Wie leent me effe een broekie of een rok?
'K sterf hier van de kou ik sta te rillen als een riet
Krijg een bekeuring aan m'n pet wanneer een smeris me zo ziet
En ze stopten voor de deur toen van z'n vrouw
Toen die d'r vent weer zag toen viel ze bijna flauw
Gilde "Oh Nelis, wat een strop,
sterf nou gauw met die honderd pop
Die 'k van de dooie bos gekregen heb zijn op"

De postbode die Nelis zag die kreeg een stuip
Gilde "Me honderd poppies terug kedin
Als je niet op staande voet teruggeeft hier
Slaan ik je nou meteen je harses in
Die grappen maken van jouw, die koste mij m'n lood sebiet!
Betaal of je kist weer in, of je levend bent of niet"

De kastelein riep "Wacht nog effe, dooie vent
Laat 'ie me eerst betalen, ik krijg nog tachtig cent"
En z'n vrouw riep "Zeg dooie dief, wat lever je me nou
Ik heb alweer een andere vent, ik heb niet gerekend meer op jou"
Maar Nelis riep "Scheld maar raak, ik hou me stil
Ik zal toch zeker doodgaan zeg, wanneer ik wil
'k Blijf fijn nog wat in mijn Jordaan
'k heb nog een lekker neutje staan
Leve de lol, die dooie boel is niks gedaan"

Repertoire: Eduard Kapper
Tekst en muziek: Ferry (van Delden )


Jacques Klöters