dinsdag 4 februari 2020

CV & abonneren

 "Een bloemlezing in dagelijkse afleveringen."
• Het cv van het Laurens jz. Coster-project.

• Abonnee worden (gratis) van de dagelijkse Coster-gedichten kan hier. Of stuur een mail naar eon@planet.nl

donderdag 30 januari 2020

Astrid Lampe • Een sterke suikerlobby

Twee knipplakgedichten van Astrid Lampe, afkomstig uit Een sterke suikerlobby, het alternatieve Poëzieweekgeschenk van uitgeverij crU, verkrijgbaar in geselecteerde boekhandels.



































woensdag 11 december 2019

Het mooiste theaterlied van 1919, door Jacques Klöters

Ook dit jaar had de jury het zwaar om het mooiste theaterlied van 1919 uit te kiezen.
Speenhoff drong met maar liefst twee liedjes door tot de eindselectie, met 'De zieke millionair' en met het innige duet 'De filosoof en het meisje' waarin de refreinregel 'Kind ik hou van jou' steeds rustig wederkeerde.
Willy Derby is thans na den grooten oorlog wel een van de meest naar voren tredenden jongeren. 'Het fiere schooiershart' dat hij zoo hartstochtelijk dramatisch zong op tekst van Otto Zegers is aan een opmars begonnen en zou wel eens een klassieker kunnen worden. Derbys liederen worden gefloten door slagersknechten en klinken in huiskamers en naaiateliers. Zijn lied 'Moeder' dat de getalenteerde Ferry van Delden voor hem schreef, getuigt van zijn nimmer aflatende populariteit en is het succes van den dag.
Maar er zijn andere jongeren die hem naar den kroon steken, zoals de voormalige groentenboer Kees Pruis die dan weer gul vroolijk dan weer smartelijk zijn repertoire brengt. De bekende toonzetter Willem Ciere, wie kent niet zijn potpourri's, bracht passende muziek aan onder het gevoelige lied 'Kindjes laatste wens' dat sommige juryleden wel èrg sentimenteel vonden. Maar sentimentele liederen zijn thans jè van hèt.
Verrassend kwam de jonge dichter-zanger James Cohen van Elburg voor den dag met zijn 'Izak Meijers wiegelied' waarin we de gein en de melancholie van het oude volk terughoorden.
Dirk Witte, onze eminente componist en tekstschrijver die elk jaar hooge ogen gooit - weet u nog twee jaar terug met zijn 'Mensch durf te leven'? - Nu was daar Nocturne, een plaatje van een lied met een melodie die je niet loslaat en een vertolkster, Stella Fontaine die een van den eersten onder onze voordrachtskunstenaressen is.

Maarrr, de absolute winnaar dit jaar is een lied waarbij men het uitgeschaterd heeft, een vaardig geschreven tekst met veel geestige zetten erin die tijdloos lijken, waar nog veel vervolgen op kunnen komen, een stukje volksleven dat niet mag verdwijnen, eminent gezongen door den Jordaanzanger Eduard Kapper, geschreven door denzelfden Ferry van Delden die ik daarstraks al noemde; het beste theaterlied van 1919 is "De begrafenis van Manke Nelis!"

Eduard Kapper en Ferry hebben speciaal voor vandaag een vervolg erop geschreven:

De terugkomst van Manke Nelis

'k Bezong u Manke Nelis zijn begrafenis
Maar nu komt het mooiste nog pas aan
Ik zal u nu het laatste nieuws vertellen gaan
'k Wed dat u versteld ervan zal staan
Ze zaten in de kroeg zoals ik u reeds heb verteld
Toen plotseling Dronken Toon lijkwit naar binnen kwam gesneld

Hij riep: Jongens, een glas water voor de schrik
D'r is een wonder pas gebeurd, mensen, ik stik
Want zo- even komt de man van het kerkhof bij me aan
Die vertelt mij dooie Nelis is zojuist weer opgestaan
Hij was maar schijndood is zoëven woest gestemd
Uit z'n kuil geklauterd en zo in z'n hemd
Fijn gewandeld naar de dijk
en daar zit 'ie nou te kijk
Als het tweede nagemaakte levend lijk"

Als antwoord klonk een rauwe kreet toen door de kroeg
Een ieder stond genageld aan de grond
Dronken toen van schrik elkanders glaasie leeg
Keken stom verslagen in het rond
En Schele Dries die riep "D'r moet gehandeld worden vlug
Bestel die stoet opnieuw, dan halen we Nelis weer terug"

Dat was goed en zo gezegd zo ook gedaan
En even later zag je voor het kroegie staan
De koets en bakkies die 'em 's morges weg hadden gebracht
En al de kraaien liepen in hun officiële klederdracht
En toen reed de vreemde stoet met veel bekijks
Weg om Nelis op te halen van de dijk
"Kijk eerst goed", riep Rooie Chris,
"of het die manke degelijk is
Komt mij te link voor hoor, die hele bissenis.

En onderweg kwam Gerrit plots op 't idee
"We binne abuis zeg, stop er es koetsier
Wat mot die lijkkoets zeg, 't is geen begrafenis nou
We motten 'em halen in een Jan Plezier"
"Da's waar ook", riep een elk, "daar hebben wij niet aan gedocht
En daarom werd er gauw een bruiloftswinkel opgezocht
En ze hebben wijl er stevig werd gebierd
Eerst de koets met slingers helemaal versierd
Met lampions en vlaggen en al de kraaien, wat een mop
Zetten allemaal een bruiloftsmutsie boven op hun kop

En zo kwam de hele boel, wie doet je wat
Aan de dijk waar Nelis in z'n hempie zat
Ze droegen hem rond en hesen hem toen
Met een kruikie Bols en een fles citroen
De koets in tussen al de slingers en het groen

Maar toen werd in de Spaarndammerstraat weer gestopt
Bij hetzelfde kroegie van die Rooie Bart
Maar Nelis riep "Rij door, want anders blijf ik hier
Misschien weer staan al onder het biljart"
En hossend, zingend is het stel de stad weer doorgegaan
Kwam de versierde rouwstoet weer terug in de Jordaan

Nelis sprong toen in z'n hempie op de bok
Riep "Wie leent me effe een broekie of een rok?
'K sterf hier van de kou ik sta te rillen als een riet
Krijg een bekeuring aan m'n pet wanneer een smeris me zo ziet
En ze stopten voor de deur toen van z'n vrouw
Toen die d'r vent weer zag toen viel ze bijna flauw
Gilde "Oh Nelis, wat een strop,
sterf nou gauw met die honderd pop
Die 'k van de dooie bos gekregen heb zijn op"

De postbode die Nelis zag die kreeg een stuip
Gilde "Me honderd poppies terug kedin
Als je niet op staande voet teruggeeft hier
Slaan ik je nou meteen je harses in
Die grappen maken van jouw, die koste mij m'n lood sebiet!
Betaal of je kist weer in, of je levend bent of niet"

De kastelein riep "Wacht nog effe, dooie vent
Laat 'ie me eerst betalen, ik krijg nog tachtig cent"
En z'n vrouw riep "Zeg dooie dief, wat lever je me nou
Ik heb alweer een andere vent, ik heb niet gerekend meer op jou"
Maar Nelis riep "Scheld maar raak, ik hou me stil
Ik zal toch zeker doodgaan zeg, wanneer ik wil
'k Blijf fijn nog wat in mijn Jordaan
'k heb nog een lekker neutje staan
Leve de lol, die dooie boel is niks gedaan"

Repertoire: Eduard Kapper
Tekst en muziek: Ferry (van Delden )


Jacques Klöters

donderdag 28 november 2019

Aan Roelofs • Zeemansgraf (+ download 'Monsters in november')

'Zeemansgraf' staat in Monsters in november, een bundel beeldgedichten van Ana Roelofs. U kunt een pdf van deze bundel hier downloaden, en zelf printen (dubbelzijdig afdrukken, spiegelen over de korte zijde) en vouwen tot een boekje. U kunt ook een luxe-editie van het boekje bestellen bij Ana Roelofs voor € 15 incl. porto. (Overigens is haar minibundel Muizen in april ook nog steeds te downloaden (en ook te koop)).








































ZEEMANSGRAF

op de knalgele zomerstoel zit een oud monster
in ijzige regen loopt november op z’n eind
op de begraafplaats slaapt de oude bloem zijn droeve
hart voltooit een kroniek van bittere deceptie:
altijd november altijd regen altijd alleen
altijd geweest miskend vergeten treurt mijn monster
in de wanorde in het donker dat zijn tijd is
gekomen hij kiest met lege handen het ruime
sop met een twee drie in godsnaam nog eenmaal adieu
blijf ik alleen met mijn tranen in een lege kamer


Ana Roelofs
uit: Monsters in november (2019)

donderdag 24 oktober 2019

Guus Middag over 'Paardje-Bochelaartje' van Aleksandr Poesjkin

• Deze week worden de gedichten bij Coster gekozen door Guus Middag. Van zijn hand verscheen zojuist De wereld is weer plat, ja. De poëzie van tegenwoordig, een boek met twintig stukken over twintig gedichten en liedteksten van na 2000, van dichters als Marieke Rijneveld, Ingmar Heytze, Ester Naomi Perquin, Ilja Leonard Pfeijffer en Radna Fabias, zangers en zangeressen als Daniël Lohues en Katinka Polderman en hiphoppers als De Jeugd van Tegenwoordig. De gedichten die hij voor Coster bespreekt, staan niet in het boek. Bij Meander een recensie.

“Ik kies deze week vijf ‘verborgen’ gedichten: gedichten die zich op onverwachte plaatsen aandienen. Vandaag een gedicht dat zich bijna twee eeuwen lang onder de verkeerde schrijversnaam heeft schuilgehouden: Konjók-Gorboenók (1834), dat is Paardje-Bochelaartje, een Russisch sprookje van maar liefst 2300 rijmende versregels lang.
     Heel wat generaties Russen zijn ermee opgegroeid. Het is het geweldige verhaal van de niet al te snuggere boerenzoon Ivan die desondanks veel meer voor elkaar krijgt dan zijn twee oudere en zogenaamd wijzere broers. Ivan krijgt daarbij de hulp van een klein onooglijk toverpaardje met twee bulten op zijn rug: het bochelaartje uit de titel. Dat loodst hem langs allerlei ingewikkelde problemen. Het is niet te geloven, maar aan het eind van het verhaal valt onze Ivan het allerhoogste ambt ten deel. Hij wordt de nieuwe tsaar.
     Hieronder staat het begin van het sprookje. Dit fragment geeft al een eerste indruk van het hoge verteltempo – en van de soepele vertaling, in een naturel en snel soort Nederlands, door Robbert-Jan Henkes. Als je een keer begint, lees je het in één ruk uit. Het zit, althans in het Nederlands, vol verrassende wendingen en stijlbreuken en rijmen. “Ze is goed en ze heeft spatjes, / maar ze is wat dun en platjes”, wordt hier gezegd van de aanstaande vrouw van de tsaar. Wat is de vergrotende trap van uitsloven? “Waar hij (…) op de vloer bonkt met zijn hoofd, / en zich uit en uiter slooft”. Dit is wat de twee broers van Ivan uitroepen als ze hem met zijn vliegensvlug vliegende paardje zien overvliegen: “‘Heilige beschuit met muisjes!’ / roept het tweetal en slaat kruisjes, / ‘Wat was dat voor duivels beest? / Was het gas of was het geest?’” Hoe noem je dat, als twee dolfijnen zich onder water heel snel uit de voeten maken? “Daarop bogen de dolfijnen / om toen staartzwieps te verdwijnen.” Het lijkt wel Leo Vroman, op een bedje van Annie M.G. Schmidt.
     Allergrootste verrassing: Pjotr Jersjov (1815-1869), de negentienjarige student aan wie het sprookje altijd werd toegeschreven, maar die na zijn briljante debuut nooit meer iets fatsoenlijks zou schrijven, is niet de dichter van dit sprookje. Dat blijkt toch echt niemand minder te zijn dan Aleksandr Poesjkin (1799-1837), zo staat inmiddels wel vast. Robbert-Jan Henkes levert de bewijzen in zijn uitgebreide, en spannende, voor- en nawoord bij de vertaling.”


Paardje-Bochelaartje. Een Russisch sprookje in drie delen.

Deel I.

                “Nu kan het bij ’t begin beginnen…

Over bergen, bossen, landen,
over zeeomspoelde stranden,
hier op aarde, hier benee,
woonde eens een boer tevree,
en de oudste van zijn zonen
was een snugger manspersoon en
nummer twee was half-om-half,
maar de jongste – was een kalf.
Graan verbouwen zij, de boeren,
dat zij naar de stad vervoeren,
die maar op een baksteenworp
is gelegen van hun dorp.
Daar verkopen zij hun koren
voor een geldsom naar behoren,
en vervolgens gaan zij vlug
met de kar naar huis terug.

Na ik weet niet hoeveel dagen
kwam het ongeluk ze plagen:
iemand was met veel geweld
graan gaan maaien op hun veld.
Daar bekeken ze de schade.
‘Broers, geen woorden nu maar daden!’
En ze gingen in beraad,
hoe de dief, die onverlaat,
te betrappen. Ze besluiten
beurtelings te waken buiten,
op hun veld, vanaf vannacht.
‘Kijken of-ie dan nog lacht!’

(…)

Aleksandr Poesjkin (1799-1837)


Uit: Paardje-Bochelaartje | Конек-Горбунок. Vertaald naar de eerste uitgave uit 1834 en toegelicht door Robbert-Jan Henkes met illustraties van Joeri Vasnetsov uit 1934 en 1941. Voorheen toegeschreven aan Pjotr Jersjov. Pegasus & Stichting Slavische Literatuur, 210 blz., paperback, 2019, ISBN 9789061434603. Slavische Cahiers 35




woensdag 23 oktober 2019

Guus Middag over 'Zomernacht' van J.H. Leopold

• Deze week worden de gedichten bij Coster gekozen door Guus Middag. Van zijn hand verscheen zojuist De wereld is weer plat, ja. De poëzie van tegenwoordig, een boek met twintig stukken over twintig gedichten en liedteksten van na 2000, van dichters als Marieke Rijneveld, Ingmar Heytze, Ester Naomi Perquin, Ilja Leonard Pfeijffer en Radna Fabias, zangers en zangeressen als Daniël Lohues en Katinka Polderman en hiphoppers als De Jeugd van Tegenwoordig. De gedichten die hij voor Coster bespreekt, staan niet in het boek.

“Ik kies deze week vijf ‘verborgen’ gedichten: gedichten die zich op onverwachte plaatsen aandienen. Vandaag een gedicht dat 135 jaar geleden in een studentenalmanak werd afgedrukt: ‘Zomernacht’. Een romantisch natuurtafereeltje, met een avondstemming, een nachtsfeerschildering, iets met weilanden en nevelslierten – het zal allemaal wel. Het is een gedicht waar ik zonder voorkennis schouderophalend overheen gelezen zou hebben. Er zijn zoveel dichters die zulk soort schetsjes hebben geschreven, met een gevoelig woordje hier en een stoplapje daar. Zo ook deze student, die zijn naam er niet onder zette.
     Maar dat werd anders toen ik las dat dit een gedicht van J.H. Leopold was. En niet zomaar een gedicht van J.H. Leopold, maar ook nog eens het allereerste gedicht dat hij ooit publiceerde, voor zover wij nu weten. Dick van Halsema, die werkt aan een biografie van de dichter, ontdekte het vijf jaar geleden in de Leidse Studentenalmanak van 1885. Hij toonde overtuigend aan dat dit anonieme vers van Leopold was.
     Zie eens hoe subtiel deze jonge student-dichter de nevelslierten laat overgaan in schimmen uit het dodenrijk. Zie hoe gevoelvol hij hun treurige bestaan uitlicht als zij weer terug moeten sluipen naar hun donkere rijk, op het moment waarop de lichtgod (wij zouden zeggen: de zon) zich aandient. En, ach - alleen wat tranen laten zij achter; dat zijn de dauwdruppels op de bloemkelken. Een meesterwerkje, bij nader inzien. Als je goed kijkt, kun je hier de latere dichter J.H. Leopold al door de regels heen zien schemeren – zeker als je weet dat hij de dichter ervan is.”

Zomernacht

Zachtkens daalde de avond; over de weiden,
Over de korenhalmen, die zich dommelend
Wiegelen, hangen witte, alles omhullende
                      Nevelsluiers.

Schimmen zijn ’t, uit den Hades opgestegen,
Die des nachts bij ’t zwakke sterrenschijnsel
Zwerven langs eens zoo geliefde oorden,
                       Treurig te moede.

Reeds verbleekt het maanlicht en de schare
Sluipt terug naar ’t donkere rijk der dooden,
Zwijgend; op het vale aangezicht zetelt
                        Bittere weemoed.

En de eerste stralen van den lichtgod
Spiegelen zich in tranen, die op iedere
Bloemkelk nederdrupten van de bleeke
                         Bloedlooze kaken.


J.H. Leopold (1865-1925)


• Drukker Ser J.L. Prop (serjlprop home.nl) maakte dit voorjaar een bibliofiele uitgave van het gedicht, in een oplage van vijftig exemplaren.


Guus Middag over 'Voorpijn' van Coen Peppelenbos

• Deze week worden de gedichten bij Coster gekozen door Guus Middag. Van zijn hand verscheen zojuist De wereld is weer plat, ja. De poëzie van tegenwoordig, een boek met twintig stukken over twintig gedichten en liedteksten van na 2000, van dichters als Marieke Rijneveld, Ingmar Heytze, Ester Naomi Perquin, Ilja Leonard Pfeijffer en Radna Fabias, zangers en zangeressen als Daniël Lohues en Katinka Polderman en hiphoppers als De Jeugd van Tegenwoordig. De gedichten die hij voor Coster bespreekt, staan niet in het boek.

“Ik kies deze week vijf ‘verborgen’ gedichten: gedichten die zich op onverwachte plaatsen aandienen. Vandaag een gedicht dat ik zomaar aantrof in een weekblad dat ik lang niet elke week lees, De Groene Amsterdammer, van 10 oktober 2019. Het stond in een column van Ester Naomi Perquin. Een geweldig gedicht, nooit eerder gelezen, van Coen Peppelenbos, uit zijn bundel Vallende mannen (Uitgeverij Kleine Uil, 2011).
     Het heet ‘Voorpijn’ – een nieuw woord. Het gaat over de vrees, op allerlei manieren, voor pijn die nog komen gaat. Het zit goed in elkaar, met al die functionele tongbrekers (spoorbrug, instort, roltrap, stront, stapt), al die haperende zinnen, in een steeds sneller opgevoerde opsomming van angsten en vrezen en schaamtes. Je zit in de trein, tussen Leeuwarden en Groningen, of omgekeerd, maar ineens grijpt het je aan.
     Die wortels aan het eind zijn in de eerste plaats, lijkt mij, (in de buurt van de ‘vulling’, de ‘kroon’ en de ‘brug, ook tandartstermen) de wortels van tanden en kiezen, bekend van het wortelkanaal en nog meer van de alom gevreesde wortelkanaalbehandeling. Maar daar, aan het eind van het gedicht, worden het vanzelf ook algemenere wortels - de wortels van het bestaan. Als die breken, dan breekt alles, dan val je om, dan stort je neer in de afgrond, zoals een trein op volle snelheid op de spoorbrug bij Zuidhorn in het Van Starkenborghkanaal – als de brug breekt.”

Voorpijn

Dat de spoorbrug instort bij Zuidhorn,
dat je valt op gladde gele steentjes,
benenbrekers, dat je tas in de roltrap,
dat je toch in de stront stapt, dat je
arm uit de kom, dat je doof en blind
dat je vuiloog smeeroor goormond,
dat je een kind slaat, dat je
in je hemd staat, dat je rits open,
broek scheurt voor de volle zaal, dat je
speeksel spreekt, dat je lief gaat,
dat de kamer te hol, je bed te groot
het eten eenzaam smaakt,
dat je vulling, dat je kroon,
dat je wortels, dat de brug breekt
bij Zuidhorn.


Coen Peppelenbos (1964)