vrijdag 31 december 2021

CV & abonneren

"Een bloemlezing in dagelijkse afleveringen."

• Het cv van het Laurens jz. Coster-project.

• Abonnee worden (gratis) van de dagelijkse Coster-gedichten kan hier

hier

woensdag 22 december 2021

Guus Middag • Applebottom

• A P P L E B O T T O M 

 Door omstandigheden kom ik wel eens op bepaalde vrouwensites, en zodoende weet ik inmiddels van alles over voorgevormde bh’s – want daarvoor wordt op die sites reclame gemaakt. Voorgevormde bh’s zijn bh’s met ingelegde of ingenaaide kussentjes, om de voorkant een beter (dat is: voller en ronder) aanzien te geven. Onlangs werd daar een voor mij nieuw product aan toegevoegd: de voorgevormde spijkerbroek, met vergelijkbare opvulsels, maar dan van achteren. Zo kan men zichzelf van een mooi, of nog mooier, dat is: voller en ronder, achterste voorzien. Dan spreekt men, in het Engels, van een ‘applebottom’, een ‘appelkont’.
Hoe zou de applebottom in het Nederlands heten? Ik ging ernaar op zoek, en kwam er al snel achter dat het Engelse woord onze taal al had bereikt: in een gedicht van Quirien van Haelen. Hij maakte een straattaalversie van het bekende achttiende-eeuwse gedicht ‘De pruimeboom’ van Hieronymus van Alphen. Daarin zag ene Jantje eens pruimen hangen, ‘o! als eieren zo groot’. Hij wilde ze graag plukken, ‘schoon zijn vader ’t hem verbood’. Jantje was in tweestrijd, overlegde hardop in zichzelf, besloot het toch niet te doen. Zijn vader had zijn brave jongen met zichzelf horen worstelen, prees hem zeer en beloonde hem alsnog met de door hem zo begeerde pruimen.
Bij Van Haelen, 250 jaar later, ziet Jantje geen pruimen, maar iets dat op een appel lijkt: ‘Jantje zag die applebottom / van die spange spandexho.’ Spang betekent ‘sexy’, spandex is elastaan en een ho is een hoer of slet. Jantje ziet de bolle bips van een lekkere meid in een strakke lycralegging – en hij begint er meteen zin in te krijgen. De ho is ook nog eens de vriendin van zijn broer, en laat zijn broer nu net in de gevangenis zitten (‘mi brada zit toch in de jilla’). Ook zij is wel in voor een verzetje.
Bij Hieronymus van Alphen ging papa aan het eind van de vertelling schudden aan de boom en daarna kreeg Jantje ‘zijn hoed vol pruimen, / en liep heen op een galop’. Bij Van Haelen loopt het allemaal heel anders af. Hier gaat het smatje aan het schudden – met haar achterste, ‘hoofd naar onder, bil omhoog’. Het eind van het lied komt dan snel: ‘Jantje hield het niet lang droog.’ Allemaal de schuld van die applebottom.

Uit Verklarend zakwoordenboekje van rare woorden van Guus Middag, te koop bij de uitgever.

Die applebottom (Een story)

Jantje zag die applebottom
Van die spange spandexho
En hij wou die tanga ballen
Ook al was ze van zijn bro

Fokkit, zei hij, want mi brada
Zit toch in de jilla, aight
Hij kan mij nu toch niet met zijn
Pipa poppen, fok die shait

Maar ik ben geen backstaptype
Hij dronk aan z’n ginger beer
Effe tjappe, jonko smoken
Dan ik klop me eige spier

Weg ging Jantje, naar die shoppa
Maar die smatje was niet doof
Die zei, fokkit, ik wil bana
Klaasje zit voor tasjesroof

Hij heeft mij gezegd dat ik
Kon doen en laten wat ik wou
En nu wil ik kokkie geven
Boi, ik zuig je ballen blauw

Daarop ging ze aan het schudden
Hoofd naar onder, bil omhoog
Later batsen, badaptaki
Jantje hield het niet lang droog

Quirien van Haelen




maandag 20 december 2021

Guus Middag • Ravelijn


• R A V E L I J N
 
Ravelijn In zijn laatste bundel, Slordig met geluk (2016), beschreef dichter Menno Wigman zijn moeilijke momenten toen hij met hartklachten op de intensive care was beland en de dood twee weken lang recht in de ogen keek. Maar hij overleefde het en hij kon opgelucht ademhalen. Aan het slot van zijn bundel plaatste hij een paar voor zijn doen lichte en luchtige gedichten, waarin voor het eerst iets als levens­aanvaarding en simpel geluk doorklonk.
Het laatste gedicht wil een opsomming zijn van alle mooie dingen die zich elke dag zomaar aanbieden, en Wigman wil niets anders dan de lof zingen van al dat moois: ‘je hand die voor het eerst een kattenvacht streelt, / je moeder die bezorgd je knie verbindt, / zes moegedraafde paarden in de zon, / het onweer waar augustus mee begon’, en nog veel meer. Muziek, erotiek, poëzie. En: ‘een woord als moerbei, huisraad, ravelijn’.
Er zijn geen wetenschappelijke definities van wat een mooi woord is, maar iedereen voelt meteen wel aan dat moerbei, huisraad en ravelijn mooie woorden zijn – en van die drie is ravelijn onbewezen het mooiste. Het zou de naam kunnen zijn van een sprookjesprinses, een zeldzame edelsteen, een volière van glas – of is het een andere naam voor ragfijn kant? Volgens Van Dale niets van dat alles. Volgens Van Dale is ravelijn een term uit de vestingbouw: ‘buiten de vestinggracht gelegen driehoekig of redanvormig buitenwerk dat diende tot dekking van poort, courtine en schouderhoeken van de bastions’. Alleen heel mooie woorden hebben zulke geheimzinnige omschrijvingen. Gelukkig staat er een tekeningetje bij.
Om de betekenis van ravelijn gaat het niet bij Wigman. Het gaat hem hier om mooie woorden en om mooie dingen, en om het hervonden kinderlijk besef dat al die mooie dingen er zijn en alleen maar genoemd hoeven te worden, elke dag weer, zo lang het kan. Dit zijn de slotregels van het slotgedicht: ‘o mooie dingen en mijn mond benoemt het / voor ik me met het domme zwart verzoend heb.’ Dat laatste moest Wigman doen, weten we nu, op 1 februari 2018.

Uit Verklarend zakwoordenboekje van rare woorden van Guus Middag, te koop (gesigneerd én geïnscribeerd) in de webwinkel van Onze Taal.

*


Oneindig wakker

Mooie dingen, allemaal mooie dingen:
je hand die voor het eerst een kattenvacht streelt,
je moeder die bezorgd je knie verbindt,
zes moegedraafde paarden in de zon,
het onweer waar augustus mee begon,
Diana’s hand die naar je broek afgleed,
haar lichaam waar je blind de weg in vond,
de kleur van een kwatrijn van J.C. Bloem,
Nick Cave die dwars door Paradiso zong,
een woord als moerbei, huisraad, ravelijn,
de vondst van een nog net niet schurftig rijm: —
mooie dingen, allemaal mooie dingen
zoals de treinen waarop ik gezoend heb,
het zachte golven van een dranklokaal,
een meisjeskamer die naar adel geurt,
het wonder dat geen dag zich ooit herhaalt,
o mooie dingen en mijn mond benoemt het
voor ik me met het domme zwart verzoend heb.


Menno Wigman (1966-2018)
uit: Slordig met geluk (2016)



woensdag 15 december 2021

Guus Middag • Nonnenspiegel


• N O N N E N S P I E G E L
 
Wie weet nog wat ijsbloemen zijn? Het is iets van voor de opkomst van de centrale verwarming en de dubbele of driedubbele beglazing. En uit de tijd toen het ’s winters nog echt vroor. Dan sloeg in de onverwarmde slaapkamers de adem van de slapenden neer op de binnenkant van het koude raam en vormde daar dan mooie grillige patroontjes van ijs. Als je de volgende ochtend de gordijnen wegschoof, was het slaapkamerraam ondoorzichtig geworden, en het uitzicht vervangen door een grijswit geheel van veer- en varenachtige vormen: ijsbloemen.

De dichter Chr. J. van Geel schreef een gedicht, ‘IJsbloemen’*, over wat je er allemaal in kon zien. Een ‘oase’ bijvoorbeeld, maar dan wel een ‘oase onder een pak sneeuw’. Of de manen van een leeuw, maar dan wel de ‘berijpte manen van een leeuw’. Een indiaanse verentooi, maar dan zonder de gebruikelijke bonte kleuren; een witte verentooi, een ‘schedelverentooi’.

Wat nog meer? De vacht van een schaap, met al die witte krullen. Of ‘een dicht berkenbos’. Het dichtgevroren raam is als een schilderij waar je lang naar kunt kijken. ‘Een bloemstilleven’, aldus Van Geel. Of ‘een Séraphine’, naar de naïeve Franse bloemenschilderes Séraphine de Senlis. Of ‘een nonnenspiegel'. Wat is een nonnenspiegel? Ik wist het niet. Het woordenboek ook niet. Maar het internet, na enig zoeken, wél. Nonnen horen niet ijdel te zijn, en zij horen dus ook niet in een spiegel te kijken. Maar soms wint, ook bij hen, de nieuwsgierigheid het van de voorschriften. Daarvoor is een devote oplossing gevonden: een spiegel die, als je erin kijkt, de afbeelding van een heilige te zien geeft, of een stemmige tekst, omgeven door allerlei kunstig in het spiegelglas gegraveerde veer-, varen- en bloemenvormen. Daartussen zitten enkele kleine stukjes onbewerkt spiegelglas, waarin de nieuwsgierige nonnen dan een glimp van hun eigen uiterlijk kunnen opvangen.

Als je op internet naar afbeeldingen van die nonnenspiegels kijkt, doen ze heel sterk aan iets denken. Aan wat? Aan een raam met ijsbloemen. 

Uit Verklarend zakwoordenboekje van rare woorden van Guus Middag, te koop (gesigneerd én geïnscribeerd) in de webwinkel van Onze Taal.

*

IJsbloemen

Het raampje is een Séraphine,
een bloemstilleven ongezien,
een nonnenspiegel, een gewas
vol donzen dorens, melk van gras,
oase onder een pak sneeuw,
berijpte manen van een leeuw,
albino’s, schedelverentooi,
strikken van tule, ’t krullenooi —
ze drukt haar pop tegen haar vacht
en ooilam, ooilam zegt ze zacht —,
paard, pluim, toom, tuig en rinkellast,
dood fluitekruid, een holle bast,
een schalvel, een dicht berkenbos,
een meisjesschool met haren los
het duin afrennend wie-het-eerst,
een knippapieren kinderfeest,
van porselein, van gips, van steen,
soldaten op hun tinnen teen.
Het ziet er van de doden wit.
Men kijkt er binnen hun gebit.
Een schaduw zonder ondergoed.
Graftuiltje dat het zeggen moet.


Chr.J. van Geel (1917-1974)
uit: Spinroc en andere verzen (1958)






donderdag 7 oktober 2021

Jopie Breemer • Ode op 'de'

Het is ‘Week van het Nederlands’, en daarom deze week vijf gedichten over (de Nederlandse) taal. Als laatste: ‘Ode op ‘de’’ van Jopie Breemer, over een veelomvattend algetal.


Ode op ‘de’

O! ‘De’, gij woord, dat zo alleen
Betekent niets, wat zeg ik, neen
Alleen betekent ‘De’ het al
Een veelomvattend algetal.
Dat woordje met een woord erachter
Maakt dit soms sterk en somtijds zachter.
Maar zonder ‘De’ kunnen wij niet
Waar ‘De’niet is, daar is geen lied
En zonder ‘De’ ook niet deez ode
En daarom heil gij ‘De, o, o, ‘De’.


Jopie Breemer (1875-1957)
uit: De ontboezemingsbundel van Jopie Breemer (1913)




woensdag 6 oktober 2021

Jacqueline van der Waals • Woorden

  Het is ‘Week van het Nederlands’, en daarom deze week vijf gedichten over (de Nederlandse) taal. Als vierde: ‘Woorden’ van Jacqueline van der Waals, over de taal als middel om de werkelijkheid te benoemen (en daarmee het wonder stuk te maken). (Naar Rainer Maria Rilke’s ‘Ich fürchte mich so vor der Menschen Wort’.)


Woorden

Ik wantrouw het woord, een mensch, dat praat,
Het weet van alles het hoe en waarom;
Daar is op aarde geen heiligdom,
Waar niet het woord naar binnen gaat.

En dit heet ‘huis’ en dat heet ‘hond’
En dit heet ‘God’ en dat ‘gebed’,
En noemt men iets, dan weet men het,
En nergens is meer heilige grond.

Der menschen woord raakt alles aan.
— En dan verstomt der dingen lied, —
Hun tuin grenst vlak aan Gods gebied ....
Ik waarschuw: blijf van verre staan,

En nader niet met een naam, met een woord,
De juiste term, de gave zin,
Het doode lichaam ligt er in
Der dingen, die men heeft vermoord.


Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: Iris (1918)





dinsdag 5 oktober 2021

P.A. de Génestet • Spreekwoordjes

 Het is ‘Week van het Nederlands’, en daarom deze week vijf gedichten over (de Nederlandse) taal. Als derde: ‘Spreekwoordjes’ van P.A. de Génestet, over bestaande en zelfverzonnen wijsheden.


Spreekwoordjes

Dorst maakt van de frissche stroomen,
Die den wandlaar doen bekomen
Van de hitte van zijn pad,
Meer dan kostlijk druivennat;
Honger stooft de rauwste blaêren,
Harde boonen maakt hij zoet;
Slaap schudt veêren van de varen,
En maakt nacht van middaggloed;
Zuinigheid maakt eerlijke armen,
Arbeid alle menschen rijk:
Mededoogen en erbarmen
Maakt het schepsel God gelijk.
Kleine handen, reine tanden
Maken alle meisjes mooi;
Liefde tooit de barste stranden,
Maakt een hemel van een kooi;
Witte dassen, witte haren
Pruikjes maken dominees
Van wie vroeger losser waren
Dan studenten op een sjees;
Geld maakt uil en aap en ezel
Burgemeester, man van staat;
Wijn maakt d’ allerfijnsten kwezel
Tot een wakkren kameraad;
Zoute scherts maakt flauwe spijzen
Hartig, water-wijntjes fijn;
Eetlust, kippen tot patrijzen,
En ‘een broodje’ tot festijn;
Gouden knoopen, modekleêren
Maken mof en intrigant
Vette hanzen, groote heeren;
Twintig leugentjes — een krant.
Van gebrek aan krakelingen
Maakt u de angst een hongersnood;
Praatjes maken menschen dood,
Die nog vrij door ’t leven springen;
Onbeschaamdheid maakt een nul
Nommer-éen in ’t wereldspul;
Lucht maakt kranken tot gezonden:
Edukatie maakt de honden,
De aapjes in de kermistent,
Bijna menschen van talent;
Onze tijd maakt diplomaten,
Filozofen, demokraten,
Van mijn kruier en mijn ‘Jan:’ —
Maar geen kist vol ridderstarren
Maakt van vijf-en-twintig narren
Ooit één knap, verstandig man.

(1849)

P.A. de Génestet (1829-1861)