woensdag 17 januari 2018

Abonneren

Abonnee worden van de dagelijkse Coster-gedichten kan hier. Of stuur een mail naar eon@planet.nl

vsb-prijs 1918 -- Annie Salomons

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

vrouwenlexicon
dbnl
wikipedia
damescompartiment








Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het terug 1918 was? Deze week aandacht voor vijf in 1917 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een publieksverkiezing van de beste bundel. Vandaag als vierde de bundel Nieuwe verzen van Annie Salomons (1885-1980, de enige vrouw onder de genomineerden), ingeleid door dichter Ingmar Heytze, die ook vijf gedichten uit deze bundel koos.

*

Salomons

De tijdgeest is een grillig spook. Honderd jaar voordat poëzie een veelvormig randverschijnsel werd, waarvan de felst verdedigde en meest bekroonde uitingen meestal ook het minst gelezen worden, was de dichtkunst… Ja, wat eigenlijk? 1917 was een wereldoorlogjaar, het jaar van de Februarirevolutie en tevens het jaar waarin de Nederlandse Spoorwegen ontstond. In Utrecht werd de eerste vrouwelijke hoogleraar aangesteld. Het was, zoals Jules Deelder dichtte over een andere tijd, ‘een wereld die van kwesties aan mekaar hing.’

De bundel Nieuwe verzen waarmee Annie Salomons (1885-1980) een gooi naar de VSB-prijs van dat jaar had kunnen doen, had wat dat betreft net zo goed tien jaar eerder of later kunnen verschijnen. De gedichten gaan over de binnenwereld, niet over de tijd waarin ze werden geschreven. Ze hebben naar vorm en inhoud ook vrij weinig te maken met wat later belangrijk werd gevonden aan de poëzie uit die tijd. We hebben het toch over het jaar nadat Nijhoff en Van Ostaijen debuteerden.

Nee, vernieuwend zijn de Nieuwe verzen niet. Ze zijn ze wel verrassend leesbaar, ook na honderd jaar nog, en dat kunnen we niet zeggen van al haar tijdgenoten.

Salomons is in 1917 al een gearriveerd dichter – ze is al vele jaren lid van de Vereniging van Letterkundigen, heeft in tal van tijdschriften gepubliceerd en diverse bundels op haar naam. Haar lyriek is die van de vrijgevochten vrouwenziel die in de romantische liefde de verlossing vindt. Alle verzen in ‘Nieuwe gedichten’ gaan zwanger van verlangen, maar zitten tegelijkertijd strak ingesnoerd in hun corset van metrum en rijm. Leg daar haar Herinneringen van een onafhankelijke vrouw gepubliceerd onder de naam Ada Gerlo, naast. Herlees dan het gedicht ‘Laatste groet’, en besef dat het helemaal niet zo’n gek idee zou zijn als Annie Salomons daadwerkelijk die VSB-prijs 1917 won.

Ingmar Heytze

Laatste groet

Laat ons stil en zonder tranen
Scheiden nu de avond daalt,

Die het purper onzer wanen

Droef tot bleekend grauw vervaalt.
Laat ons scheiden.... nieuwe banen
Liggen versch voor ons bepaald.

Geef mij nu je sterke handen

In een laatsten, vasten druk.

'k Hield ze lang als de onderpanden
Van een veilig, lief geluk....
Onvree sloeg als glas de handen,

Die wij zorgzaam voegden, stuk.

Laat ons nu als vrienden scheiden,
Nu ons 't laatste licht verlaat,

't Zelfde heil verwachtend beide,
Vonden beide pijn voor baat.
't Leven zal ons verder leiden
Naar zijn eeuwge wet en maat.



Voorbij

Verleden jaar was je nog niet gekomen,
En nu ben je al weer weken weggegaan.
Het scheen, je zou je léven van mij droomen,
En nog geen jaar heb je mij na gestaan.

Je kwam als stormwind, jong en frisch en nukkig,
Je mond was zengend in mijn huivrend haar,
En 'k borg mijn hoofd zo wonderlijk gelukkig
Weg aan je borst, als kenden wij elkaar.

Ik had je lief; maar op je onstuimig vragen
Zei wijsheid "neen," voordat mijn hart het wist.
En strak-verborgen heb 'k mijn heil gedragen,
Door lichte nachten en door drukke dagen,
Mijn droom-van-liefde nooit door jou gegist.

Ik had je lief, maar zware, stukke woorden
Kerfden een scheiding tussen jou en mij,
Neen, 't kon niet zijn, dat ik je ooit behoorde,
Dat mijn verbleekte jeugd jouw opgang stoorde...
Ik had je lief, maar zei slechts wijze woorden.
Zoo dreef de laatste, lieve waan voorbij.



Zwervers

Twee zwervers door de landen van het leven,
Soms met een lach, meest met een matte pijn;
Twee wankie zielen, rijk-begaafd in schijn,
Maar 't onontbeerlijkst was hun niet gegeven.

Zij zag zijn voeten wond, zijn lippen bleek,
En heeft hem zacht gewasschen en verbonden,
En wijl zij vreemd en stil-ontroostbaar leek,
Hebben ze woordenloos elkaar gevonden.

En éenen lichten avond lag zijn hoofd
In haren schoot en streelde hij haar handen,
En éenen avond hebben zij, gestranden,
Wien 't wisslend zoeken alles had geroofd,
In levens schoone heiligheid geloofd.

Maar met den ochtend zijn ze weer gegaan,
Twee moede zwervers door het wijde leven,
En van hun teerheid is alleen gebleven
De ijle weemoed om een schoonen waan.



Na het feest

Ter eene en ter andre zij
Ging een geleider sterk en jong;
Nóg in haar hoofd met ijl gevlei
De walsmuziek verleidlijk zong...

En de eene sprak in stil betoog,
En de ander luid, met sterken klem,
En tusschen hen, heel ijl en hoog,
Met lach en teerheid, hare stem.

Toen bood haar, in één zwaren blik,
Elk zijn geheim van blij verdriet;
Zij wendde de oogen, blind van schrik,
Maar de een wist van den ander niet.

Want niets verbrak de vaste klem,
Of stoorde 't durend strak betoog,
Een vraag, — een lach, — en dan haar stem,
Die zingend doorsprak, ijl en hoog.

Maar bij het bleek lantarenlicht,
Ten eenë en ten andren kant,
Zag ze in een glimp een star gezicht,
Met feilen wanhoopsblos gebrand.

Haar hart borg, als in stillen schrijn,
Hun beider ongezegde leed;
Maar snijdend striemde de oude pijn,
Dat geen háár kilheid wijken deed.



Renuntiatie

Toen stierf de dag; en in het grijze licht
Zaten wij samen, met geklemde tanden;
En wiste' elkanders treurige oogen bránden
Op ons door schemer vaag omhuifd gezicht.

Het duister groeide; en in eenzaamheid
Voelden we fel ons wreed ontberen schrijnen.
Met bittren smaak herproefden we oude pijnen,
En raadden 't zwaarder leed, dat ons nog beidt,

Maar toen de nacht de kamer had gevuld,
Was 't even, of de wanhoop uit zou breken,
En of uw edel, dagenlang geduld
In scherp verwijt zijn hunkering móest spreken,
Dagend ten oordeel mijn onnoozle schuld.

Maar, plots u richtend als een paard ten strijd,
Braakt gij de stilte met een snel geruchten;
En 't licht, dat vlamde, deed vergeefsche spijt
En al ons bang-getroebeld weiflen vluchten.

Wij stonden recht in klaterenden schijn,
En vragend zocht ik uw verwachtende oogen;
En zwijgend peilden we; en zwijgend wogen
Wij wil en weigring; — troost en doove pijn.

Toen hebt gij even, stil uw hoofd gebogen,
En 'k wist, dat alles droef en schoon zou zijn.





• Leest allemaal de Onze Taal. Of Zone 5300.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

dinsdag 16 januari 2018

vsb-prijs 1918 -- Jacob Israël de Haan

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

bloemlezinkje
dbnl
wikipedia
iisg








Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het terug 1918 was? Deze week aandacht voor vijf in 1917 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een publieksverkiezing van de beste bundel. Vandaag als derde de bundel Liederen van Jacob Israël de Haan, ingeleid door taalkundige Marc van Oostendorp, die ook vijf gedichten uit deze bundel koos.

*

Jacob Israël de Haan – Liederen

Weinig Nederlandse dichters hebben de onrust van het jaar 1917 zo beeldend onder woorden gebracht als Jacob Israël de Haan (1881-1924) in zijn bundel Liederen. Dat kon ook bijna niet anders, want die onrust zat ook in hemzelf, een man die voortdurend op reis was, zowel in letterlijke als in figuurlijke zin. Eerder had hij al opzien gebaard met de expliciet homoseksuele romans Pijpelijntjes en Pathologieën. Een paar jaar na verschijning van Liederen zou hij als zionist vertrekken naar Palestina om er uiteindelijk als orthodoxe jood te worden neergeschoten.

Al die thema’s zitten in Liederen en nog meer. Het is een bundel die alleen in 1917 geschreven had kunnen worden. Hij begint met een aantal ‘liederen’ die gewijd zijn aan de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog; daarna volgen een aantal gedichten gericht ‘aan Russische vrienden’: rond 1913 was De Haan zich hard gaan maken voor de (vaak socialistische) politieke gevangenen in Russische gevangenissen; hierna volgen nog veel andere sonnetten en ‘liederen’ die over het algemeen wat minder rechtstreeks politiek zijn. Zij beschrijven minder de onrust in de buitenwereld en meer die in De Haans persoonlijke leven.

Want De Haan wekt de indruk geen Wereldoorlog en geen aanstaande Russische revolutie nodig te hebben gehad om onrustig te zijn. Uit de Liederen kun je destilleren hoe hij onder andere naar Londen reisde, en naar Bretagne. En net als in de romans speelt ook hier homoseksualiteit een belangrijke rol: De Haan bezocht de gevangenis van Reading en bezingt in twee liederen het lot van de homoseksuele Britse schrijver Oscar Wilde, die er aan het eind van de negentiende eeuw gebroken werd.

Te midden van al dat tumult vond De Haan ook rust en schoonheid, bij mooie jongens. Liederen biedt ook plaats aan enkele van de mooiste liefdesgedichten uit de Nederlandse literatuur, zoals de sonnetten die hij schreef over een Bretonse jonge visser met wie hij kortstondig een verhouding lijkt te hebben gehad, zoals ‘Aan eenen jongen visscher’ met de beroemd geworden regel ‘naar vriendschap zulk een mateloos verlangen’. Toch zat ook in deze liefdes de onrust al ingebouwd, blijkens de laatste regel van dat sonnet: ‘En bid dat ik nooit voor uw schoon bezwijk.’


Aan eenen jongen visscher

Rozen zijn niet zoo schoon als uwe wangen,
Tulpen niet als uw bloote voeten teer,
En in geen oogen las ik immer meer
Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen.

Achter ons was de eeuwigheid van de zee,
Boven ons bleekte grijs de eeuwige lucht,
Aan 't eenzaam strand dwaalden alleen wij twee,
Er was geen ander dan het zeegerucht.

Laatste dag samen, ik ging naar mijn Stad.
Gij vaart en vischt tevreden, ik dwaal rond
En vind in stad noch stiller landstreek wijk.

Ik ben zóo moede, ik heb veel liefgehad.
Vergeef mij veel, vraag niet wat ik weerstond
En bid dat ik nooit voor uw schoon bezwijk.



Mijn Heilige

Bretonsch gebruik: iederen avond leest
De vader van 't gezin met vrome stem
Over den Heilge van dien dag, wat hem
Verlokking, wijding, weerstand is geweest.

Een visschersjongen had mij meegenood
Beschroomd in zijn gezin, toen sprak de vader:
‘Wees welkom, zet u met mijn kindren nader,
En hoort wie heden vroom waren en groot’.

De jongen bloosde: ‘Mijn Heilige is Sint-Yves;
Wie de uwe, zeker een heel vrome en lieve?
Wat heeft zijn droomen en daden gewijd?’

‘Al wie lief en schoon was heb ik aanbeden’,
Was mijn wederwoord: ‘vaak dwaalde ik, maar heden
Weet ik zeker, dat gij mijn Heilge zijt’.



Sluimerende Knaap

Wonder van schoonheid, sluimerende Knaap
Ik kwam u wekken, maar toch denkend, dat
De lichte zon u reeds opgewekt had,
En ziet: ik vond u wonderschoon in slaap.

En togen droomen door uw kalme ziel
Zoo zacht ontroerend, dat een glimlach boog
Open uw mond en uw licht-sluimrend oog
Trilde in het licht, dat zonnig binnenviel.

Jongen, wat roerde uw ziel zoo wijd en klaar?
Uw slanke hand bleef roerloos op het dek,
Uw andre hand, rondom de bloote nek
Streelde de weelde van uw zonnig haar.

Uw adem waaide weg met licht gerucht,
De droom bloosde uwe wangen donkerrood,
Wat droomt gij toch, jongen? Door mijn ziel vlood
Daar gij zoo schoon zijt, eene zachte zucht.



Achter een dichte deur

Een jongen lacht achter een dichte deur,
En speelt zijn spel, nu verder dan dichtbij,
Zijn lacht licht door mijn smart, ik voel mij vrij
Van warre wanhoop en fnuikend getreur.

Tot ik bezin. Weet ik niet meer, waarom
Ik in dit huis een machtig Man verwacht?
Omdat men Georges bande in barre Nacht,
En ik genade vraag, daarom, daarom.

Gelijk de lach van dien Knaap was uw lach
Georges, mijn Makker, en uw blijde jeugd
Was Moeders trots en menig makkers vreugd.

Tot één u bande en brak uw lied en lach,
Wie zal eens lied en lach van dien Knaap breken,
En hem als u bannen naar barre streken?’



Aan de Politieke Gevangenen in Rusland

Hebben zij met ketenen u gebonden
Een rauwe last om polsen en om de enkel,
Geen zware stap zonder krenkend gerenkel
Geen moew man zonder hand en voet met wonden.

Is dit het eind van al hun strijd en hopen?
Zoo schoone jeugd, zoo klaar verstand gekooid,
Geknecht, gekrenkt van kracht en vreugd berooid,
Onder voeten van schenners neergeloopen.

Dood is beter dan dit machteloos leven
Waarmee de beulen stoeien als in spel,
Geesel, trap, woedewoorden, donkre cel,
En niet eens zijn heugnis en hoop gebleven.

Heugenis: ach, krachtloos wordt hun verstand,
Dat het de dagen van hun strijd vergeet.
En hoop? Hun oogen staren uitgebrand,
Geen man buigt niet onder last van dit leed.

Het kerkhof bloeit naast de gevangenis,
De dooden rusten onder zoden zacht,
Die stervend leven lijden dag en nacht:
Wanhoop, waanzin, bange verlangenis.

Want waanzin dwaalt, een glimlach om zijn mond,
Een schat van belofte in zijn matblauw oog.
Hij voert, wie voor zijne bekoring boog
Door de ijdle tuinen van zijn wereld rond.

De scorbut sluipt door hun ontbindend bloed
En bleek-lachend loert de tuberculose,
Verwelkt hun wangen, dooft der oogen gloed,
Plukt stoute knapen af als witte rozen.

O, keur van Knapen, van Vrouwen en Mannen,
Helden van Rusland in zijn bangen strijd.
Die 't leven rekken door katorgatijd,
Worden naar 't bar Siberië verbannen.

Zij wilden Liefde en Leven: ach, de Dood
Lokt hen in droom en waak met zijne lach,
Dood hier, daar Waanzin, wie nog kiezen mag,
Kiest het kort sterven boven lange nood.

Makkers: wat kunnen mijne zwakke handen,
Makkers: wat kan de stem van mijn droef lied?
Niet meer dan schreien om de barre schande
Die dag en nacht strafloos aan u geschiedt.

Straffeloos? Neen. Die bloedschuld eischt zal 't wreken,
Met vaste wraak. Hij meet van elk den Tijd.
De dag der dagen komt, die 't Volk bevrijdt,
Uw beulen slaat, uw kettingen zal breken.




• Leest allemaal de Onze Taal. Of Zone 5300.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

maandag 15 januari 2018

vsb-prijs 1918 -- Charivarius

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

wikipedia
dbnl
wat gedichten









Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het terug 1918 was? Deze week aandacht voor vijf in 1917 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een publieksverkiezing van de beste bundel. Vandaag als tweede de vierde bundel Ruize-rijmen van Charivarius, ingeleid door Jacques Klöters, die ook twee gedichten uit deze bundel koos.

*

Charivarius

Er zijn natuurlijk in 1917 veel betere bundels uitgekomen dan de vierde bundel Ruize-rijmen van Charivarius. Maar het zal wel de best verkochte bundel dat jaar zijn geweest want Charivarius (G. Nolst Trenité 1870-1946) was zeer populair in zijn tijd. Vergelijk hem met Paulien Cornelisse in onze dagen: iemand met een scherp gevoel voor taalverandering en taalmisstanden die daar vermakelijk over schrijft, in zijn geval op rijm en die daarbij ook een scherp oog heeft voor politieke en maatschappelijke gebeurtenissen van zijn tijd.

We moeten er van Charivarius allemaal niet teveel achter zoeken, zo blijkt uit zijn inleiding. Poëzie schrijft hij zeker niet. Die geeft meer gevoel dan gedachte, vindt hij, terwijl hij juist meer gedachte dan gevoel geeft. Als hij een ballade schrijft dan is die bedoeld als grapje. Zijn loflied op de vriendschap is niet bedoeld als parodie op het toenmalige volkslied: "'t is bij ongeluk zoo uitgevallen. In elk geval zal men mij moeten toegeven, dat mijn vers niet veel erger is dan Tollens' Onbeklemdeborst-Rijm, dat alle Nederlanders bij feesten geestdriftig meezingen, en waarvan sommigen het eerste couplet geheel kennen."

Charivarius veronderstelt in zijn inleiding dat wie diepe gedachten zoekt in zijn bundel teleurgesteld zal worden. "Ik berijmde de eenvoudige gedachten van ieder, die bewust leeft, en niet slaapwandelt. Van sportoverdrijving tot bidden om de overwinning – 't ligt alles dichtbij de oppervlakte." Hij wilde zich niet uitgeven voor wijsgeer, een richtsnoer geeft hij niet, "Ik ben meer plattegrond dan gids. Wil men mij een thermometer noemen, mij wel – een kachel ben ik zeker niet. Een Rijmer ben ik, en als Rijmer zal ik sterven."

Jacques Klöters


*
Rust-rijm

Charivarius mag zich niet vermoeien. Toen hij dezer dagen ter verpoozing Gorter's ‘Mei’, weer eens doorbladerde, viel zijn oog op de volgende regels:
.....Van ijs in zee, een oud gebaard man, die Stond op, bokaal ter hand, en uit verschie...’
Het hier toegepaste systeem vereenvoudigt den zwaren arbeid van het rijmen aanmerkelijk; men heeft niet angstvallig te zoeken naar een woord dat in zijn geheel rijmt; licht vindt men er een waarvan een enkele letter past; de overige laat men weg, en het rijm is klaar. Dit is het rijm-systeem voor rustbehoevenden. Naar deze methode vervaardigd, vloeide hem de volgende Ballade als 't ware van zelf uit de vulpen:

De ridder van Granada
(Vrij naar Schiller)

Er leefd' in overouden tijd
In 't land van Granada,
Zijn vorst in trouwen dienst gewijd,
Een wakkre ridderkna.

De koning had den jonker lief,
En jacht, en sport, en spel
Werd bloot voor 's gunstelings gerief
Ten Hove ingestel.

Zoo werd èn Hof èn landvolk vaak,
Door bode en klokgelui,
Genood tot 't griezelig kijkvermaak
Rondom den leeuwenkui.

Eens op een dag zijn maagd en borst,
En ridders, rij aan rij,
Verzameld bij den ouden vorst,
In 't lustpark van 't palei;

Rondom den diepen leeuwenkuil,
Die dreigend gaapt benee:
Hier 't jolig juichen - daar 't gehuil
Van tijger en van lee.

Men oogt 't gestoei van 't woest gebroed
Met grage blikken na;
En d' oude vorst schertst welgemoed:
‘'t Is beter hier, dan da!’

De jonge ridder zit naast háár -
De jonkvrouw, trotsch van zin,
Maar 't schoonste van de maagdenschaar,
En fel van hem bemin.

Zij schenkt hem eerst niet veel gehoor;
Hij schijnt wat schuw, wat bleu;
Dan vat hij moed, en als-maar-door,
Ruischt zijn verliefd gekeu.

Daar lispt de jonkvrouw aan zijn zij:
‘Mint gij mij waarlijk zoo?
Welnu, mijn vriend, bewijs het mij!’
Dan roept z' op luiden too:

‘Wie uwer mint mij sterk genoeg,
Dat hij uit louter min
Deez' zijden handschoen, dien ik droeg,
Mij weerbrengt van daargin?’

Mèt werpt zij fluks den handschoen af;
Men mompelt: ‘Wee!’ - ‘Wat nu?’ -
- ‘Wie waagt zich in dit levend graf?...’
Het denkbeeld is afschu.

Zij ziet haar feilen minnaar aan
Met hoonend killen lach:
Kies - d' arme heeft den blik verstaan -
Mijn liefd' - of mijn verach!

Daar ziet de schare, stom van schrik,
Vervuld van 't naadrend wee,
Hoe hij met somber-strakken blik
Zich naar den kuil begee.

Snel daalt hij in de diepte neer......
Loopt op de beesten toe......
En - brengt den handschoen veilig weer,
Met gruwbre heldenmoe.

Nu groet den Ridder Onversaagd
Een donderend hoera!
Maar hij - hij werpt der snoode maagd
Den handschoen...... in 't gela!

‘Aanvaard,’ zoo spreekt hij, ‘slechte vrouw,
Mijn declaratie zóó!
Ik was verliefd op je, maar nou -
Wat mij betreft - val doo!’



Kwak-rijm
Opgedragen aan de Redacteurs van bladen, die medewerken aan de verspreiding van kwakzalversmiddelen.

Zing mij, mijn Groene-muze, thans
niet in gedweeë zuchten,
Laat mij mijn verontwaardiging
in forscher klanken luchten,
Mijn woede over 'n zonde, erger
dan wat slechten stijl:
De zonde der omkoopbaarheid. Ja,
onze Pers is veil.
Ziet hoe 't bedrog gedijt door de
gekochte hulp der kranten,
En hoe 't u toegrijnst, 't duizend-namig
Kwaad, van alle kanten:
Musol, Garsol, Chlorol, Sprutol,
Lymphol, of Menathol,
Riol, Flucol, of Kephaldol,
Vixol, of Amonnol,
Pastilles Poncelet, Urbanus-zalf,
Zambuk, Melrose,
Dragées Dupont, Kneipp's pillen,
Coza-poeder, Dermatose,
Haarlemmer-olie, Pink-pillen,
Pastilles Géraudel,
Of Foster's rugpijn-nierenpillen,
Beechamp, Bilaudel,
‘Abdij’-siroopjes (suikerpap)
van niet-bestaande kloosters,
Of dikke-borsten-pillen voor
demi-mondaines - ‘Oostersch!’ -
(Heel dikwijls wordt er een ‘abdij’,
of ‘priester’ bij gehaald,
Een lokaas voor geloovigen -
een truc, die zelden faalt)
Gezondheidsketting, Voltakruis,
Galvano-boedha-platen,
Sanden's electrisch gordelwerk,
Adolph's jicht-apparaten.
Voorts middeltjes, die tot verhooging
van de werkzaamheid,
Heel vriendelijk voor den lijder, met
vergiften zijn bereid:
Bucine, phenolphtaleïne - andre
ben 'k vergeten,
O, ja, ‘Nibblett’ (epilepsie):
strychnine - Smaaklijk eten!
En dan 't gemeenste soort nog, dat
den lijder lokt - maar straft!
Daar 't juist wat hij verlangt, maar schuwen moet,
- vermomd - verschaft:
Als: anti-diabetes-middelen,
met volop suiker.
Een zeer verlokkend drankje voor
den drinkebroer-gebruiker:
Ziet, vroolijk schenkt hij van het
medicijn zijn glaasje vol:
Een anti-drankzucht-middel, mild
gemengd met alcohol!
Een nektar voor den morfinist -
daar valt mee te verdiene'! -
‘Antimorfine’ heet het goed,
bestaande uit...... morfine!
En dan de prijs nog, dien zoo'n waardeloos
mengseltje je kost!
Tien gulden voor wat suiker in
wat water opgelost,
Parlaghy (broom) voor 12 cent
bij elk drogist te halen,
Daar laat zoo'n schurk zich 25
gulden voor betalen!
Is 't wonder, dat dat kwakgespuis
in vorsten-weelde leeft,
Wanneer 't zich in 'n jaar of wat
schatrijk gestolen heeft?
O, Redacteurs, ik klaag je aan,
ik wil je niet beleedigen,
Maar geeft het nu maar eerlijk toe -
je kunt je niet verdedigen:
't Slachtoffer dokt, en dokt, en des
bedriegers buidel zwelt,
De stomme stumper sterft - en jullie
krijgt de helft van 't geld.
Je bent de steun en toeverlaat
van heel een bende schoften,
Die paaien met portretten, met
attesten en beloften.
En zelfs als 't goedj' onschaadlijk is,
doe j' onhei'stelbaar kwaad,
Want dokter's hulp wordt uitgesteld:
hij komt - maar komt te laat.
Effecten-zwendel wordt geweerd -
daar zou je naam door lijden! -
Kwak's leugens ku' j' niet weigren, wel?
Zorgvuldig zijn gescheiden
Redactie en directie. O,
je vindt het ijslijk naar,
Dat liegen - maar de Directeur
gebiedt - vooruit dan maar!
En door je mooiste hoofdartikel,
waar j', in geestvervoering,
Van plicht, en eer, en waarheid spreekt,
in edele ontroering,
Vlecht zich zoo'n pillen-leugen heen,
die zoo verleidelijk leest,
Als ‘Ingezonden mededeeling’ -
dat betaalt het meest!
Je weet precies, wat je misdoet,
je kunt je niet vergissen,
Alleen - de onderneming kan
de duiten nog niet missen.
Ja, schitterend is de winst, met zulk
reclamewerk behaald......
En jullie tractement wordt met dat
dievengeld betaald.




• Leest allemaal de Onze Taal. Of Zone 5300.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

zondag 14 januari 2018

vsb-prijs 1918 -- Jan Prins

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

wikipedia
dbnl
gedichten
schrijversinfo








Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het terug 1918 was? Deze week aandacht voor vijf in 1917 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een publieksverkiezing van de beste bundel. Vandaag als eerste Getijden van  Jan Prins (1876-1948), ingeleid door dichter Hester Knibbe, die ook zes gedichten uit deze bundel koos.

*

Licht dat op stilte drijft

Getijden van Jan Prins is een kloeke bundel waarin sonnetten, vrijere en epische gedichten elkaar niet in de weg zitten, maar veeleer versterken en aanvullen.

De bundel is onderverdeeld in acht afdelingen, sommige bestaand uit één lang gedicht. De toon is precies en beschouwend. Bij Prins geen politiek correcte poëzie, geen hoogdravende pathetiek zoals bij sommige van zijn tijdgenoten. Hij kiest voor verstilling, natuur- en liefdeslyriek. Hij ‘schildert’ zijn wereld met lichte, dromerige penseelstreken.

Al in ‘De stoet’, het eerste gedicht van de bundel, weet hij een bijna feeërieke sfeer op te roepen. Hij beschrijft daarin een stoet verliefde vrouwen die aan het oog van de dichter voorbijtrekt. Is het een wens-, een dagdroom? In elk geval een goede aanzet tot de rest van de afdeling waarin de geliefde een hoofdrol krijgt toebedeeld in een arcadisch landschap. Die sprookjesachtige sfeer bergt het gevaar in zich te zoete, softe poëzie op te leveren, maar die valkuil weet Prins voortreffelijk te omzeilen. Neem bijvoorbeeld het lange gedicht ‘De Zeiltocht’. Het zet direct stevig in:
Wij kwamen, met den vloed, de Botlek uitgevaren, de volte in van de Maas. De late middagzon, die op de zeilen scheen en schitterde in uw haren, bestreek rivier en land (…).
Een begin dat uitnodigt tot verder lezen. Enkele verrukkelijke zomerdagen op het water worden beschreven in een lange zang die niet onderdoet voor de ‘Mei’ van Gorter. ‘De Zeiltocht’ waaiert nergens te veel uit, er worden geen sprookjesfiguren bijgesleept, Prins heeft genoeg aan wat de werkelijkheid biedt: ‘(…) Wij hoorden bij een wetering/ twee riemen in het water plompen/ en ’t klepperen van kinderklompen,/ (…). Wij zagen, tot de knie bijkans,/ de maaiers in het gras gezonken,/ en hoe de scherpe zeisen blonken,/ (…)’. Hij weet, naast compactheid, een goede balans tussen romantisch gemijmer en realiteitszin te bewaren. Delen met lange regels worden afgewisseld met kortere (terugblik op de voorbije dagen), wat aan het epische karakter van het gedicht een speels accent geeft.

Jawel, deze dichter ‘schildert’ zijn poëzie. De gedichten in deze bundel zijn impressionistisch, verwant aan beeldende kunstenaars als Jacob Maris. Prins dicht met zijn hoofd in de wolken en met beide voeten stevig op de grond.

Met zijn bundel Getijden verdient Jan Prins een solide plaats tussen de dichters van voor de Tweede Wereldoorlog.

Hester Knibbe


*
De stoet

Toen de avond aanbrak, en toen de gezonken zon
over den gelen grond en over de gebouwen
den breeden sleep deed gaan en slieren van het licht,
ontmoette mij de stoet van die verliefde vrouwen,
die — dronken van gebaar en donker van gezicht —
haar luiden tocht aanvaardden, nu de nacht begon.

Oogen, die vonkelden van hartstocht als van haat,
bloedroode lippen en weekschaduwige leden,
en, van den ranken boog der schouders afgegleden,
in wilde wappering het fijndoorplooid gewaad, —

wijnranken in het haar en trossen roode rozen
gebonden op de Borst, — zoo trokken zij voorbij
en trapten in het licht en, dansend, tartten mij
en zochten mijn gelaat. — Maar ik heb u gekozen.



De zuil

Het licht is stil op elk gebogen blad,
het rustig licht, alzijdig, van de maan.
't Heeft al de vormen van den nacht omvat,
die roerloos in dien koelen schemer staan.

't Ligt op de muren als een bleeke vlam,
en gaat in schaduw van geblaarte schuil.
Daarvoor, eenzelvig, is een pinangstam
recht en ranklijnig als een Moorsche zuil.

De takken laag ontkronkeld bij den grond,
de hooge boomkroon in de lucht alleen,
staat in de stilte een donker loofgebouw.

En heel den trots van die gestalte rond,
en om haar sombere berusting heen,
is 't onbestemd en blauwig, als van dauw.



Het dansfeest

Vanachter struiken en verwarde ranken
het eenzaam bonzen, donker, van de gong, —
en dan, of water over steenen zong,
een koele stroom van sprankelende klanken.

De hoofden zijn gebogen voor den glans
die van den bodem slaat op de gezichten.
De schemer wijkt en welt om rosse lichten,
en aller stilte is wakende om den dans.

De lenden smal, de borsten ingebonden,
beweegt de ranke danseres alleen. —
Het zwijgend zien is om haar schreden heen
van hen, die uit dit uur niet scheiden konden.

Zij droomen in den lagen kring en turen, —
zoolang de nacht, zoolang de rust hun blijft, —
den ganschen gang door van die zwijgende uren,
naar een gebaar, dat op de stilte drijft.



Het boerderijtje

De heldergroene-en-witte luiken
staan vierkant in het rood en geel
van 't boerderijtje, dat geheel
onder zijn dak schijnt weg te duiken.

In donker laken en fluweel,
zooals de boeren hier gebruiken,
drentelt een jongen op den deel
en gluurt nieuwsgierig uit de struiken.

Over den weg is druk verkeer
van Zondagsgangers, en de gek
van 't buurtje draait een zijpad binnen.

"'t Is zonde toch," zucht de bazinne,
die staat te kijken voor aan 't hek,
en 't goedig hoofd gaat heen en weer.



De stad

In haar geboomtekrans verholen,
binnen de grachten, — laag en nauw
onder de lucht, waar in het blauw
de groote voorjaarswolken dolen, —

met daken, die tezamen scholen
om een eerwaardig oud gebouw
daar ik de schoonheid van aanschouw,
en rechts, aan 't hooge pad, de molen, —

zoo ligt de stad, in de eenzaamheid
van 't onafzienbaar land verloren,
diep onder het verheven licht.

Maar uit haar midden staat, bevrijd
van al wat duister is, de toren
tegen den hemel opgericht.



De zeiltocht

Wij kwamen, met den vloed, de Botlek uitgevaren,
de volte in van de Maas. De late middagzon,
die op de zeilen scheen en schitterde in uw haren,
bestreek rivier en land, en gaandeweg begon
alom zich bij den wal de schaduw uit te breiden.
Maar de avond was nog lang, en zonder zorg bereidden
we ons voor op zijn verwacht en welkom vergezicht
van uren-, uren-diepe stilte, koelte en licht.
De boomen, die zoo hoog boven de vlakte stijgen,
verzamelden in zich, — voorboden evenzeer
van schemer als van rust, — al donkerte, en de twijgen
bewogen op den wind gewillig heen en weer.
Met torens in de lucht en geelbeschenen gevels, —
mastvlaggen kronkelend en vensteren in vlam, —
stond Vlaardingen, en ver, — nog verder dan Schiedam,
lag somberte van rook en van rossige nevels.
Daarboven bleef het licht. En wij, vervuld, aandachtig,
verlangend om wat al te zeer de dag ons nam,
wij dreven in dien kring waarbinnen, overmachtig,
de avondbezonkenheid al nader tot ons kwam.
Rondom ons was geruisch en glinstering, — de zeilen
rankwelvend en het water dravend voor den boeg, —
en overal de zon, waar donker door bij wijlen
ver weg een vogel hoog zijn langen wiekslag droeg.
Zoo was het ons geweest, dag aan dag, nu al weken
en weken, ieder uur een nieuwgevonden schat
van eenzaamheid, — en zoo was dag aan dag verstreken,
en thans, in valen damp daar voor ons, lag de stad.
De stad, het samenzijn der menigten, het Leven
der menschen en het wild verhevigde geluid
Maar nog den duurzaam uur van inkeer ons gebleven,
en veilig, voor altijd diep in ons hart gedreven,
een nieuwgewonnen droom, liefdes verholen buit.





• Leest allemaal de Onze Taal. Of Zone 5300.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

woensdag 10 januari 2018

Dirk Witte -- Mensch, durf te leven

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

Dirk Witte

• Theaterhistoriekenner (en radiopresentator en voormalig cabaretier) Jacques Klöters organiseerde op Facebook een verkiezing voor de Eduard Jacobs-prijs, een prijs voor het mooiste theaterlied van honderd jaar geleden, uit 1917. De winnaar werd ‘Mensch, durf te leven’, van Jean-Louis Pisuisse, geschreven door Dirk Witte. De andere gegadigden waren 'Liedje bij de wieg' van Louis Davids (tekst van Otto Zeegers), 'Het wijnglas' van Jean-Louis Pisuisse (tekst Dirk Witte), 'De dominee' van Paul Collin (tekst David Tomkins) en 'In het bosch' van Louis Davids (tekst Louis Davids).



Mens, durf te leven!

Je leeft maar heel kort, maar een enkele keer
En als je straks anders wilt, kun je niet meer!
'Mens, durf te leven!
Vraag niet elke dag van je korte bestaan:
Hoe hebben m'n pa en m'n grootpa gedaan?
Hoe doet er m'n neef en hoe doet er m'n vrind?
En wie weet, hoe of dat nou m'n buurman weer vindt
En - wat heeft 'het fatsoen' voorgeschreven!
Mens, durf te leven!

De mensen bepalen de kleur van je das
De vorm van je hoed, en de snit van je jas
En van je leven!
Ze wijzen de paadjes, waarlangs je mag gaan
En roepen 'o foei!' als je even blijft staan
Ze kiezen je toekomst en kiezen je werk
Ze zoeken een kroeg voor je uit en een kerk
En wat j ' aan de armen moet geven
Mens, is dat leven?

De mensen - ze schrijven je leefregels voor
Ze geven je raad en ze roepen in koor:
Zó moet je leven!
Met die mag je omgaan, maar die is te min
Met die moet je trouwen, al heb je geen zin
En daar moet je wonen, dat eist je fatsoen
En je wordt genegeerd als je 't anders zou doen
Alsof je iets ergs had misdreven
Mens, is dat leven?

Het leven is heerlijk, het leven is mooi
Maar - vlieg uit in de lucht en kruip niet in een kooi!
Mens, durf te leven!
Je kop in de hoogte, je neus in de wind
En lap aan je laars hoe een ander het vindt!
Hou een hart vol van warmte en van liefde in je borst
Maar wees op je vierkante meter een vorst!
Wat je zoekt kan geen ander je geven!
Mens, durf te leven!


Tekst en muziek: Dirk Witte (1885-1932)
Repertoire: Jean-Louis Pisuisse, Herman Tholen, Ramses Shaffy, The Amazing Stroopwafels, Frits Lambrechts, Jenny Arean, Wende Snijders e.v.a.





• Het durf-te-leven-stripblad van Nederland: Zone 5300

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

dinsdag 9 januari 2018

Jac. van Looy -- Middel-Eeuw & Blinde man

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

wikipedia
dbnl
ing
website








• De gerenommeerde schrijver en criticus Jan Greshoff was niet gecharmeerd van onderstaand gedicht: “Laten wij maar dadelijk zeggen dat een klinkdicht als dit, hoe merkwaardig ook, voor ons begrip weinig, neen niets, met poëzie van doen heeft.” Eronder het gedicht ‘Blinde man’, dat hij wel heel mooi vond: "In 'Blinde man' schildert Van Looy niet; doch hij doet wat des dichters is: hij verbeeldt. Hij roept, met de middelen, welke de poëzie biedt, een gestalte op. En om die gestalte heen brengt hij een atmosfeer. Hóé hij dat doet, behoort tot de wezenlijke doch ondoordringbare geheimen van de poëzie."



Middel-Eeuw

Op Mijner Wereld regel-rechte banen
Pronk-volkren trekken op ter Kathedrale
Kaproen, pij, toog; kazuifel, filigrane
Mijter; dorpers-rood, rood van kardinalen.
In val en dreun van kanonieke schalen,
Man-basse', in wierook knapen als sopranen;
Naar 't donker dienen boven de missalen
Schreed heer en knecht, met kruis, reliek en vanen
Al boven 't stijve stoeten van de lieden
Zag ik in 't kerk-aanzicht, de Maged, hoog
In 't glas-gebrand, nacht-purper ossen-oog,
Haar smartlijk hart gelijk een bloem aanbieden.
't Ruim rookt', 't goud smeuld', de Maagd het Hart hield bloot....
En 't storremde àl in eenen ren van rood.


*


Blinde man

Ik schuifel voort,
Langs der muren schurende wijzing, gaand naar de poort,
Naar d' Oosterpoort,
En roep mijn woord;

Mijn staâg geklag;
Door der dagen tragende omgang, van ’s morgens, ach,
Tot nacht komt, ach;
Nacht is als dag....

Gedenk mijn nood,
Broeders wier stoetende voeten langs mij gaan, geef, voor brood….
Gedenk mijn nood.
Allah is groot.


Jac. van Looy (1855-1930)





• Het kaproen-pij-toog-kazuifel-stripblad van Nederland: Zone 5300

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster