• Lees hier het CV van het Laurens jz. Coster-project.
"Een bloemlezing in dagelijkse afleveringen."
• Lees hier het CV van het Laurens jz. Coster-project.
"Een bloemlezing in dagelijkse afleveringen."
novem
de aanvaarding
De getroffene probeert aan de pijn te
ontsnappen door erin mee te gaan
*
ik hoorde god grommen
ik hield me muisstil
mijn zenuwen ratelden seismisch
maar dat nieuws zal vandaag niet ver reizen
praten was voor het uiterste geval
op een andere datum op een andere plaats
want ik had een accent als een stotter
dus ik wachtte tot het woei
en het woei uit de tijd inderdaad
en er klonk hoog gekraai
in het klokkengeluid van alle godsdiensten samen
en ze raakte me aan
zoals de kapper je nek scheert
ze was niet veranderd
ze was zoals toen luisterklaar
ze vroeg naar ons thuisland van vrienden die langskomen
ze had blauwwitte tanden
ze leerde me mijn eeuwige geheugenkind kennen
eerst droeg ze het op haar arm
daarna moest het lopen
ik dacht aan haar dus dacht ik ook aan hem
Koo was zijn naam
de humeurige aap
geen man maar een trein
die hoopte medailles en lof te krijgen voor zijn begerige belangstelling
voor meteorologische voorspellingen
hij bad volgens het boek
hij brandde een lamp op het water
en hield de tocht uit zijn mond als hij praatte
het is de woorden niet waard
mijn vingers gingen over de aren
waarom deed ik zoiets reddeloos als bidden voor een vrouw die me
laadde en stilstaan in waanzin
in tijden met niemand nog thuis zoals het miljoen reizigers met slechts één koffer
geen kat met een rat in de maag als verloning
voor alles waren we gewaarschuwd
voor de druk op de heup, voor de gal in de strijd
want wie wil er nog kijken naar aandacht die pijn doet als hij de
aandacht kan eisen met fluiten en krijsen
dus ik vatte het plan op om nooit meer de wateren waarin ik wilde
vissen te storen
maar ik voelde dus dat iemand me net niet had geraakt
tenzij met haar haren
totaal onverhoeds
het kon ook een man zijn
bijvoorbeeld mijn vader
Anne Provoost (1964)
uit: Decem (Querido, 2024)
Decem. Ongelegenheidsgedichten voor asielverstrekkers
Een jongeman meent zich alles nog te herinneren: hij stapte in een bootje op zoek naar een land met een tandarts, zijn vrouw bleef in het water achter en werd door vissers begraven, en er was ook nog ergens een kind. Door de shock verliest hij het zicht op de gebeurtenissen, maar zijn verblijfsvergunning hangt af van hoe geloofwaardig zijn rouw klinkt. In een reeks ongelegenheidsgedichten veegt hij zijn ondervragers met cynische precisie de mantel uit.’
(Querido, 2024)
• Omslag: Steven van der Gaauw • Portret: Mathias D’Haen
• Dichter des Vaderlands Babs Gons is een van de dichters die optreedt (met onder meer onderstaand gedicht) op het Poetry-festival, dat vanaf donderdag in Rotterdam gehouden wordt. Coster-abonnees kunnen er met korting heen. Kijk onderaan deze mail voor de bestelinformatie.
Tot de aarde laat zien
er is geen tijd
als een geliefde
zich onder het puin bevindt
geen adem
geen rust
geen wet
geen rede
want als liefde niet
overal dwars doorheen
groeit en graaft
dan zouden we niet
zo hartstochtelijk bestaan
als een geliefde
zich onder het puin bevindt
dan lichten we op in het donker
worden handen graafmachines
dan bolt kracht zich op in bundels
in spieren
in verstrengelde handen
het hart slaat de maat
van het omploegen
van elke centimeter
tot de aarde laat zien
wat we liefhebben
en we dat kunnen vangen
in de talloze armen
van onze hoop
Babs Gons (1971)
2 februari 2024 — Gedicht naar aanleiding van een explosie in Rotterdam-Zuid, waarbij een appartementencomplex instortte.
• Foto: Bianca Sistermans
•• In de laatste regel van het gedicht van Hans Andreus van vrijdag was een woordje terechtgekomen dat daar niet hoorde. Excuses. De juiste versie staat hier.
•• Liedje van de dag van Jeong Hun Hi (uit de film Decision to Leave).
•• Dagboek: 1 juni 1969: Maarten ’t Hart over Jung’s gebrek aan humor.
•• Dagboek: 2 juni 1998: Boudewijn Büch heeft een intense depri-dag.
•• Dagboek: 3 juni 1932: Harry Graf Kessler hoort dat de Bundestag is ontbonden.
•• Met korting naar Poetry: met de onderstaande kortingscodes krijgt u een korting van 20% op een dagkaart. Ga naar de ticketsite van Poetry, selecteer de dag(en) van uw voorkeur en gebruik eeen van de volgende kortingscodes: Openingsavond: COSTER20THURSDAY; vrijdag: COSTER20FRIDAY; zaterdag: COSTER20SATURDAY; zondag: COSTER20SUNDAY. Er verschijnt dan een ticket met de naam Coster20. Klik op de +, selecteer het aantal kaartjes, plaats de bestelling en reken af. U ontvangt de kaartjes per e-mail.
* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *
• Laurens Jz. Coster — iedere werkdag een gedicht.
• Redactie: Raymond Noë
• Aan- en afmelden.
•• In Klein schildersboek staan de beeldgedichten centraal die Jo Gisekin schreef bij bekende schilderijen vervaardigd door ‘Leieschilders’ — schilders die zich lieten inspireren door de rievier de Leie, zoal Roger Raveel, Gustave van de Woestyne (broer van Karel) en Gustave De Smet. De schilderijen zijn ook in de bundel opgenomen. ‘Winter’ is geschreven bij een schilderij van Albert Saverys (1886-1964).
Winter
Kieren zijn gedicht. Huizen pakken
geblinddoekt
eenzaamheid in. Verzinken als
tuinkabouters
in het sprakeloze van de grond. Stilte
houdt zich
gedeisder dan ooit.
Dit is het bijna niet bestaan.
Sneeuw weerkaatst, spuit gensters in
zwarte bomen
een hond loopt blind zijn adem
achterna. Wij smoren
klanken binnensmonds. Galmgaten zonder
adeste-zangen.
Zieltogend leven smelt in de sloot.
Wanneer de mokerslag op korstig ijs?
Het licht dat
spleten openrijt. Een zon obsceen bijna
en excentriek.
Ziedaar een landschap zonder littekens
herboren
bewoonbaar met de hartklop van een jong
seizoen.
Alleen de hunker na al dat kille
oponthoud blijft
onbeschreven. Als geuren van een
ouderwets boeket.
Altijd weer wachten op groen dat
gekalkte muren smukt.
Op brem in bloei. Op gele gentiaan aan
de waterkant.
Het eigen hart op vinkenslag.
Jo Gisekin (1942)
uit: Dooitijd (2012)
•• Het Poëzieweekgeschenk van de op axiomatische poëzie gerichte uitgeverij crU van dit jaar, Grenzeling, is geschreven door sven staelens. Het is een een poemic, een dichtbundel op basis van comics. Staelens gebruikt er een moeilijk leesbaar font in, en een onleesbaar (asemisch) font — elementen die vaak gebruikt worden om de grenzen van de poëzie op te zoeken. Hier worden deze elementen ingezet om aandacht te vragen voor het vluchtelingenvraagstuk zoals dat speelt in België en Nederland.
Het is ‘Week van het Nederlands’, en daarom deze week vijf gedichten over (de Nederlandse) taal. Als laatste: ‘Ode op ‘de’’ van Jopie Breemer, over een veelomvattend algetal.
Ode op ‘de’
O! ‘De’, gij woord, dat zo alleen
Betekent niets, wat zeg ik, neen
Alleen betekent ‘De’ het al
Een veelomvattend algetal.
Dat woordje met een woord erachter
Maakt dit soms sterk en somtijds
zachter.
Maar zonder ‘De’ kunnen wij niet
Waar ‘De’niet is, daar is geen lied
En zonder ‘De’ ook niet deez ode
En daarom heil gij ‘De, o, o, ‘De’.
Jopie Breemer (1875-1957)
uit: De ontboezemingsbundel van Jopie
Breemer (1913)
Het is ‘Week van het Nederlands’, en daarom deze week vijf gedichten over (de Nederlandse) taal. Als vierde: ‘Woorden’ van Jacqueline van der Waals, over de taal als middel om de werkelijkheid te benoemen (en daarmee het wonder stuk te maken). (Naar Rainer Maria Rilke’s ‘Ich fürchte mich so vor der Menschen Wort’.)
Woorden
Ik wantrouw het woord, een mensch, dat
praat,
Het weet van alles het hoe en waarom;
Daar is op aarde geen heiligdom,
Waar niet het woord naar binnen gaat.
En dit heet ‘huis’ en dat heet
‘hond’
En dit heet ‘God’ en dat ‘gebed’,
En noemt men iets, dan weet men het,
En nergens is meer heilige grond.
Der menschen woord raakt alles aan.
— En dan verstomt der dingen lied, —
Hun tuin grenst vlak aan Gods gebied
....
Ik waarschuw: blijf van verre staan,
En nader niet met een naam, met een
woord,
De juiste term, de gave zin,
Het doode lichaam ligt er in
Der dingen, die men heeft vermoord.
Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: Iris (1918)
Het is ‘Week van het Nederlands’, en daarom deze week vijf gedichten over (de Nederlandse) taal. Als derde: ‘Spreekwoordjes’ van P.A. de Génestet, over bestaande en zelfverzonnen wijsheden.
Spreekwoordjes
Dorst maakt van de frissche stroomen,
Die den wandlaar doen bekomen
Van de hitte van zijn pad,
Meer dan kostlijk druivennat;
Honger stooft de rauwste blaêren,
Harde boonen maakt hij zoet;
Slaap schudt veêren van de varen,
En maakt nacht van middaggloed;
Zuinigheid maakt eerlijke armen,
Arbeid alle menschen rijk:
Mededoogen en erbarmen
Maakt het schepsel God gelijk.
Kleine handen, reine tanden
Maken alle meisjes mooi;
Liefde tooit de barste stranden,
Maakt een hemel van een kooi;
Witte dassen, witte haren
Pruikjes maken dominees
Van wie vroeger losser waren
Dan studenten op een sjees;
Geld maakt uil en aap en ezel
Burgemeester, man van staat;
Wijn maakt d’ allerfijnsten kwezel
Tot een wakkren kameraad;
Zoute scherts maakt flauwe spijzen
Hartig, water-wijntjes fijn;
Eetlust, kippen tot patrijzen,
En ‘een broodje’ tot festijn;
Gouden knoopen, modekleêren
Maken mof en intrigant
Vette hanzen, groote heeren;
Twintig leugentjes — een krant.
Van gebrek aan krakelingen
Maakt u de angst een hongersnood;
Praatjes maken menschen dood,
Die nog vrij door ’t leven springen;
Onbeschaamdheid maakt een nul
Nommer-éen in ’t wereldspul;
Lucht maakt kranken tot gezonden:
Edukatie maakt de honden,
De aapjes in de kermistent,
Bijna menschen van talent;
Onze tijd maakt diplomaten,
Filozofen, demokraten,
Van mijn kruier en mijn ‘Jan:’ —
Maar geen kist vol ridderstarren
Maakt van vijf-en-twintig narren
Ooit één knap, verstandig man.
(1849)
P.A. de Génestet (1829-1861)
Het is ‘Week van het Nederlands’, en daarom deze week vijf gedichten over (de Nederlandse) taal. Als tweede het korte maar intrigerende ‘Eenvoudige semantiek’ van Hans Andreus.
Eenvoudige semantiek
Ik ben benieuwd naar,
maar ook bang voor,
het meervoud van bijvoorbeeld
stoelen.
Hans Andreus (1926-1977)
•• In de ‘Week van het Nederlands’ vijf gedichten over (de Nederlandse) taal. Als eerste: ‘Babel’ van Adriaan Morriën, over taal die stilvalt. Ietwat woordspelerig — maar met twee mooie laatste regels.
Babel
De taal ontbladert en vergaat:
naamwoorden worden van hun stam
ontdaan,
lidwoorden tot de vaderen vergaderd.
Werkwoorden zijn niet sterk genoeg
om deze stilte te weerstaan.
Bij noodwet wordt bepaald
welk zinsverband gehandhaafd blijft
op straffe van zijn ondergang.
Grote gebieden zijn verstomd,
ontvallen aan de waan
van vroegere betekenis.
Elk woord wordt radeloos vertaald
totdat het leeg geworden is.
Adriaan Morriën (1912-2002)
Oprecht waar. Mensche moest er exempel op nemen. Als je dat bepeist. Artheur, dat heeft geslaafd en gewroet, geheel den liefelijken zomer, dat heeft nest bemaakt en gebroeid, misschien wel drie keers achtereen jongen bezorgd en geäasd, en, nu dat de beestjes gaan vliegen zijn en de Winter aan de deure staat, laten de moertjes Boergogne waaien. Ze 'n schuifelen wel niet meer, maar ze zijn los en vrij en ze repeteeren zoetjes hun zomerzang. Ze'n hebben maar voor hun eigen alleen meer te zorgen, én, kijk, Artheur, hoe ze daar zitten, zot achter elkaâr. (uit Mietje Mandemakers & Cie uit 1927, van Edward Vermeulen (de echte naam van Warden Oom).
Laat ons nu dus allemaal ons gewoon leventje herpakken en kijken naar de vliegmaseumen (sic, misschien vliegmachienen?) die door de lucht zoeven, al knarsetandend en naar de dorschduuvels (dorsmachines), die over de straatsteenen rodokkeren op weg van het eene boerenhof naar het andere. Laat ons luisteren naar de haans die kraaien en naar de menschen die kakelen, want de beestjes zijn gaan vliegen! (uit De Poperingenaar van 1 november 1931)Uit een artikel uit De Stem uit België met de kop Warden Oom aan de West-Vlamingen over de Kempenaars, zo te zien over het gebrek aan voedsel in de Eerste Wereldoorlog:
Ten derde: de Kempische tevredenheid met eenvoudigen kost. — Jammer dat de plaats zoo beperkt is. Ik zeg alleenlijk dit: hier eten de menschen om te leven en bij ons vond men er al een cijfertje die leefden om te eten. Hier hebben de menschen een goede maag en bij ons vond men er een fractie die altijd met een ditje of een datje geplaagd zaten: buikpijne, hoofdpijne, tandpijne, scheuremond, zenuvvtjes - och ja, zenuwtjes - en een arme maag en geen eetlust, uitgezonderd om cremechocolade en pralinetjes uit te zuigen bachten de deuren. Nu, dat de beestjes gaan vliegen zijn, smaakt ons wel alles goed. Hadden we nu maar korteletten en schotelvleesch, we zouden er het vette deel niet van aan de katte gooien. Hadden we nu maar terwebrood, we zouden geen toten trekken, omdat het nog te zwaar is, nee'w', we zouden er in bijten tot over den neus. Wij bijten nu in veel zwaarders- en 't smaakt ook. Een lesse. Een zware lesse !
Weerdschap
Allemale welgekomen!
en aan tafel plaatsgenomen,
slaat een kruiske; doet een bee.
Pakt van ’t eerste een schepke mee,
’t noemt entreetje : ’t is goe meuge.
Drinkt Sauterne een ferme teuge.
v Oxtailsoep dan – of hoe ’t zij –
met Chateau Corbin erbij,
Terrebut is best genoten
met een glas Cerons begoten.
v Ossenspier in groentenblad
met Laroze of entwat.
v ’t Kieken moet er zijn als ’t foor is
met een glaaske Nuits Sint Joris.
v Taarten, ijsbak naar uw zin,
speelt het met wat schuimwijn bin!
v Nonnegoed en sneukeldingen
binst de flesschen openspringen,
sulfers, tabak, ’t lied erop;
Koffie, leute, zware kop.
Kruiske, bede en zonder liegen
zijn de beestjes nu gaan vliegen!
Warden Oom (1861-1934)
uit: Volkse verzen (1973)
César Gezelle zingt:Als je er bij stilstaat, is dit eigenlijk een wat vreemd citaat. Caesar Gezelle, neef van Guido en eveneens priester, was helemaal geen plezierdichter of taalknutselaar, dus een dergelijke speelse samentrekking zou hij nooit gebruiken — zou je zo denken. De eerste gang is dan naar het werk van Gezelle zelf, maar als je googelt op rid- en runders + Gezelle vind je enkel het gedicht van Charivarius. En de DBNL heeft heel weinig werk van deze dichter, dus daar loopt het spoor ook dood. Naar de KB dan maar, om daar al zijn bundels door te vlooien?
“’k Zie schapen, witgewold,
’k Zie rid- en runders draven ...”
Van jonge manzieke deerns. Achter den man loopen. Verg. gron. op de riddel wezen: op hol zijn; in het bijzonder: veel bij straat zijn en het manvolk naloopen'Op hol zijn', dat is wel te rijmen met het draven in de dichtregel. Maar er is geen spoor van bewijs dat dat er een verband is.
Rid- en runders
César Gezelle zingt:
“’k Zie schapen, witgewold,
’k Zie rid- en runders draven ...”
Wij gaan voort:
’k Zie schapen, witgewold,
’k Zie rid- en runders draven,
’k Zie vo- en vlegels zich
Aan wa- en bitter laven.
Al is de stad ook vol van stu- en decadente'
Die speel- en alcohol
Verkiezen boven lente,
U, boe- en kippen-ren,
U, lust- en korensc-hoven,
U, var- en vlinderken,
U stel ik ver daarboven!
In ’t mooie voorjaarsweer,
Gaan bloe- en ramen open,
’k Zie ieder met een bloem,
Zelfs schoo- met anjers loopen,
’k Zie ei- en beuken staan,
En dreu- en andre musschen.
Wijl lij- (geen vrijsters!) slaan,
’k Zie kro- en meisjes kussen.
En mensch en kunstenaars
Zij dragen en zij eten
Veel flam- en waterbaars,
Bij ’t hij-, zij-, zwijgend zweeten.
Geen pneu- slechts harmonie:
De tweedracht wijkt voor vrede,
De ru- voor poëzie,
Juicht kin- en ouders mede!
Want len- en warmte is daar,
Mijn geest stijgt op, naar boven,
’k Wil nat- en morgenuur
Met vul- en lippen loven!
Charivarius (1870-1947)