maandag 11 april 2016

Jan van Beers -- De bloem op het graf

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =


* dbnl
* wikipedia









De bloem op het graf

Meisje
Ach, bloemekijn, bloemekijn,
Wat hebt gij 't goed daarboven,
Op dat grafken mijn!
Des morgends maakt de zonne
U wakker met een lach;
Gij klapt en vrijt met vlinders
En windjes heel den dag;
En 's avonds, als ge moê zijt, kust
Een schoone star u weer in rust;
Ach, bloemekijn, bloemekijn,
Wat hebt gij 't goed daarboven,
Op dat grafken mijn!

Bloem
Ja, maagdelijn, maagdelijn,
Ik heb het goed hierboven,
Op dat grafken dijn:
Des morgends maakt de zonne
Mij wakker met een lach;
Ik klap en vrij met vlinders
En windjes heel den dag;
En 's avonds, als ik moè ben, kust
Een schoone star mij weer in rust;
Doch, maagdelijn, maagdelijn,
't Is beter nog beneden
In dat grafken dijn.

Meisje
Ach, bloemekijn, bloemekijn,
Het is zoo koud, zoo donker
In dat grafken mijn!
En, zeg me eens, zijn daarboven
Uw zusters altegaar
Nog even frisch en kleurig,
De hemel even klaar;
En zingt en springt het vooglenheer
In 't bosch steeds vroolijk als weleer?
Want, bloemekijn, bloemekijn,
't Is hier zoo koud, zoo donker
In dat grafken mijn!

Bloem
Ja, maagdelijn, maagdelijn,
Al is het koud en donker
In dat grafken dijn;
Toch blijven steeds hierboven
Mijn zusters altegaar
Nog even frisch en kleurig,
De hemel even klaar;
Toch zingt en springt het vooglenheer
In 't bosch steeds vroolijk als weleer;
Doch, maagdelijn, maagdelijn,
Gij ligt daarom niet slechter
In dat grafken dijn!

Meisje
Ach, bloemekijn, bloemekijn,
'k Moet hier zoo roerloos liggen
In dat grafken mijn!
En gaan mijn speelgenootjes
Nog 's avond naar de wei;
En mengen zich de knapen
Nog dartlend in de rei;
Vlecht elk zijn liefje nog een krans,
En gaan zij samen nog ten dans?
Want bloemekijn, bloemekijn,
'k Moet hier zoo roerloos liggen
In dat grafken mijn.

Bloem
Ja, maagdelijn, maagdelijn,
Al moet gij roerloos liggen
In dat grafken dijn;
Toch gaan uw speelgenootjes
Weer stoeien naar de wei;
Toch komen zich de knapen
Weer mengen in de rei;
Elk vlecht zijn liefje weer een krans,
En allen staan reeds voor den dans;
Doch, maagdelijn, maagdelijn,
Schoon roerloos, ligt gij beter
In dat grafken dijn.

Meisje
Ach, bloemekijn, bloemekijn,
Ik lig toch zoo verlaten
In dat grafken mijn!
En komt nog elken avond,
Na 't ondergaan der zon,
Die blonde knaap u laven
Met water uit de bron;
Zeg, knielt hij weer niet aan uw zij.
En fluistert hij niet zacht van mij?
Want, bloemekijn, bloemekijn,
Ik lig toch zoo verlaten
In dat grafken mijn!

Bloem
Ja, maagdelijn, maagdelijn,
Gij ligt daar wel verlaten
In dat grafken dijn.
Want wederom is t avond;
En, schoon 'k van dorst versmacht,
Toch brengt de blonde knaap mij
Geen water als hij placht;
Maar hij vervolgt met zoet gevlei
Ginds al de meisjes in de wei....

Meisje
Ja, bloemekijn, bloemekijn,
Ik lig hier goed beneden
In dat grafken mijn!

(1846)

Jan van Beers (1821-1888)
uit: Gedichten (1876)






• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen