maandag 16 januari 2017

vsb-prijs 1916 -- Aart van der Leeuw

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

dbnl
wikipedia
genootschap
historici.nl







Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het weer 1917 was? Deze week aandacht voor vijf in 1916 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een publieksverkiezing van de beste bundel. Vandaag als tweede Herscheppingen van  Aart van der Leeuw, ingeleid door dichter en Tortuca-redacteur Peter Swanborn, die ook zes gedichten uit deze bundel koos.


Toen de pottenbakker nog in de leer was, stelde zijn meester dat een ‘soobren vorm’ te verkiezen was boven een al te fraai versierd baksel. Immers, het leven is zwaar en ernstig en de ware kunstenaar zorgt ervoor dat het ‘simpelst vat die bittre vrucht ontvangt’.
Eenmaal volleerd wordt de pottenbakker geraakt door de schoonheid van de natuur en hij kan het niet laten om de leemklomp die hij onder handen heeft, te versieren met een tekening van bloemen, vogels en vlinders: “Terwijl ik eindlijk op mijn fijn penseel/ Den blauwen schemer van den hemel steel.” Tevreden bekijkt hij het resultaat, en dan volgden de twee slotregels: “En eerst als gaaf het kunstwerk voor mij staat,/ Ach, denk ik aan den meester en zijn raad.”
‘De pottenbakker’ van Aart van der Leeuw, uit zijn omvangrijke bundel Herscheppingen (1916), is een rustig, weloverwogen gedicht, maar toch laten die slotregels je niet los. Want wát denkt de pottenbakker? Realiseert hij zich dat hij de opdracht van zijn meester ontrouw is geweest, dat hij terug moet naar de ‘soobren vorm’? Of komt hij tot het inzicht dat zijn meester geen gelijk had? Dat de natuur te groot, te mooi, te complex is om af te doen met een simpele, kleurloze kruik.

Het niet beantwoorden van deze vraag lijkt mij tekenend voor de poëzie van Aart van der Leeuw. In zijn gedichten zoekt hij naar een grootst mogelijke eenvoud, maar tegelijk wil hij alomvattend zijn. Hij wil het leven op zijn staart trappen, ‘herscheppen’, maar na iedere poging moet hij toegeven dat slechts weinig zich laat benoemen. Sterker nog, hoe dichter hij bij het raadsel lijkt te komen, hoe moeilijker het wordt om de juiste woorden te vinden.
Honderd jaar later heeft deze poëzie nog niets van zijn oprechtheid verloren. De beelden zijn misschien niet altijd even bijzonder, rijm en metrum zijn soms aan de zware kant, maar hier spreekt een dichter die volhardend en nauwgezet bleef luisteren naar wat het wonder van de natuur hem te vertellen had.

Peter Swanborn



De pottenbakker

De meester zegt: „geef aan de schaal
De bocht van 't brood; waartoe een fraai bokáal,
Als toch de drinknap in heur holle hand
Lessching genoeg voor elken dorst omspant?
Vergun tot eenig sieraad Uwe kruik
De gulle welving van een gladden buik.
Zwaar is het leven, ernstig; bloed en zweet
Proeft ge aan haar gaven als ge drinkt en eet;
Zorg gij dat, in een soobren vorm geprangd,
Het simpelst vat die bittre vrucht ontvangt".

Maar, zoo ik voor mijn venster zit en werk,
En in de lijst van 't raam mij veld en zwerk
Verrukken door hun machtig schilderij, —
De madelieven flikkren in de wei,
Zwaluwen slieren arabesken snel
Van wolk naar wolk, uiteen vouwt de kapel
't Mystieke wonder van zijn teekenschrift,
Met diamantstift op saffier gegrift,
Dan beeft mijn vinger, wijl de draaischijf snort,
Het blinkend nat over den leemklomp stort,
En onbewust druk ik de weeke klei
Tot kelken, lijk de bloemen van de wei,
En rank en pooprend zwelt omhoog de tuit,
Of daar een vogel opwaarts wiekt en fluit;
In 't zwierig lijnspel dat ik mijmrend trek
Fladdren de vlinders met hun stom gesprek,
Terwijl ik eindlijk op mijn fijn penseel
Den blauwen schemer van den hemel steel;
En eerst als gaaf het kunstwerk voor mij staat,
Ach, denk ik aan den meester en zijn raad.

Wensch

Mijn aar zij zwaar,
Als hem de sikkel telt;
Mijn kroon zij schoon,
Als hem de bliksem velt.

De dood brengt nood,
Zoo niet vereelt hem reikt
De hand een panel,
Waaruit de dagvlijt blijkt.

Mijn zon, Uw bron
Springt nog voor aardschen dorst;
Ach warm, dat arm
Ik niet zal staan, mijn borst.

Mijn aar zij zwaar,
Als hem de sikkel telt;
Mijn kroon zij schoon,
Als hem de bliksem velt.

Mijn drang

Eens, die onstuimge jongen nog, mijn drang,
Dwongt gij mijn mond tot menig warme Wang,
Bedekkend heimlijk met een Meietak
Mijn winnend wille' en een verweer dat brak.

Toen later stond gij naast mij op den drempel
Van uw met groen versierden zonnetempel,
Waar dak en vloer een hemel zijn, een stroom,
De zuilen stam en lofwerk van den boom.

Maar, o mijn drang, werd gij een vogel, engel?
De bodem wankelt nu ik U omstrengel.
1k stijg in 't peilloos blauw met U alleen,
Ik duizel, steun mij, draag mij, god, waarheen?

Een afscheid

Kwijnend getij,
Zomer voorbij.
Heur lieve lip kust kouder,
Rood blad valt op mijn schouder,
Rood blad ruischt aan mijn voet,
De kranke zomer bloedt.

Er liep een jongen door deez' zomer,
Een menschvergeten wolkendroomer,
Een schipper op de zee van blauw,
Voor bloemen als een teedre vrouw,
Aan vee en weide warm bevrind,
Mee met den wind
Een kind.

Ik zie hem nog voor elken horizon
Staan stare' of een geluk begon,
Zooals een meisje voor haar raam;
Hij was mijzelf, hij droeg mijn naam.

Nu gaan zij beiden dood,
Het groen en mijn genoot.
Er zal een nieuwe zomer komen,
Er zal een nieuwe jongen droomen,
En staren naar den horizon,
Of daar een groot geluk begon,
Zooals een meisje voor haar raam,
Met mijn gelaat en mijnen naam.

En toch zal dit een ander zijn,
Dit weergeboren eigen mijn.
Hij zal dezelfde kleedren dragen,
En somtijds naar zijn broeder vragen:
„Waar zwijgt zijn graf, waar spreekt zijn zerk ?"
Dan tijgt hij zingend weer aan 't werk,
Vol schuimend-nieuwen zomerwijn,
En toch zal hij een ander zijn,
Een ander zijn.

Stroombeeld

Wij zaten spraakloos aan den stroom,
Die, avond-mild en spieglend-glad,
Van 't bladstil landschap zin en droom
In 't zuiver glas vergaderd had;

En kind, wij zuchtten om de rust,
Waarmee de slaapbebloosde dag
Met boom en bloem, bleek, uitgebluscht,
Zich in dat kalme vlak bezag.

Toen stonden onze wenschen op,
De zondige, een stikdonker bosch,
De goede, 't zonlicht om den top,
En de ongeduldge in bonten dos ;

Ook wat gering en needrig was,
Dat nooit hun bloei ons.bloed bewoog,
Het kruipende onkruid en het gras,
Het hief zich opwaarts nu en boog,

En alien hoopvol Bogen diep,
Dat eindelijk hun weerschijn viel
En op het reine water sliep,
Over den teedren stroom der ziel.

Maar kleur verging in kleur, een golf
Had zoo haar rimpling uitgedijd,
Dat zij het smeekend beeld bedolf ...
Heer, geef ons dens nog helderheid!

Krankheid

Neen, nimmer kan in eenzaamheid
Ik met mijzelf verkeeren,
Of vleugels hangen uitgespreid,
Een klauw wil mij bezeeren;

Een sombre vogel volgt mij staag,
Gekromde kling de snavel,
Bloedrood de pluimen van zijn kraag,
De mantel geel als zwavel.

Hef ik het hoofd, om 't meeuwenvolk
In zilvren zwier to aanschouwen,
Dan drijft hij als een donderwolk
Tusschen mijn blik en 't blauwe.

Buk ik mij neer waar bloemen staan,
Of kleine zonnen schijnen,
Daar vaart zijn schaduw langs mijn paan,
En doet dit goud verkwijnen.

Wel menig vrucht wenkt met heur mond
De dorte mijner lippen;
De vijand waakt, voor ik het vond,
Zie ik mij 't zoet ontglippen.

Ook bij den noen aan 't blanke maal,
Als ik mijn brood ga breken,
En lijnwaad, beker, aarden schaal
Zoo trouwlijk met mij spreken,

Doorhuivert mij dat wig een Bast
Van brood en room moet eten;
Ik reik op schotels volgetast
De helft hem van mijn beten.

Zelfs in den droom, kuisch heiligdom,
Waar 't leed zich komt verteedren,
Suist langs de lampen om en om
De wiekslag zijner veedren.

Van morgen, middag, avondrood
Wil hij de gaven rapen,
En, neemt de nacht mij in haar schoot,
Moet hij ook naast mij slapen.

Soms tast ik vloekend naar mijn roer,
Die kwaal in 't hart te treffen,
Maar 't is of mij een stem bezwoer,
De wetten te beseffen.

Ik grijp mijn zwaard om 't hoofd te slaan,
Een gifkelk van den stengel;
Vast ziet zijn meerdiep oog mij aan,
En ik herken een engel.





• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen