zondag 15 januari 2017

vsb-prijs 1916 -- C.S. Adama van Scheltema

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

wikipedia
bwsa
dbnl
gedichten








Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het weer 1917 was? Deze week aandacht voor vijf in 1916 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een publieksverkiezing van de beste bundel. Vandaag als eerste Zingende stemmen van C.S. Adama van Scheltema, ingeleid door dichter Alfred Schaffer, die ook zes gedichten uit deze bundel koos.

Oud is hij niet geworden, C.S. (Carel Steven) Adama van Scheltema. Geboren in 1877 te Amsterdam, gestorven in Bergen op 47-jarige leeftijd. Studeerde medicijnen, werkte in de internationale kunsthandel en kon na de dood van zijn vader van de erfenis leven. Woonde met zijn echtgenote Anna Catharina Kleefstra onder meer in Parijs en in München. Misschien is hij wat vergeten in vergelijking met enkele van zijn Nederlandse en Vlaamse dichtende tijdgenoten, maar tijdens zijn leven was Adama van Scheltema geen onbekende in de Nederlandse literatuur. Integendeel: door zijn socialistische gedichten kreeg hij flinke naamsbekendheid. Vooral onder jongeren kon hij op veel bijval rekenen. Niet alleen was hij actief als dichter, prozaïst en vertaler, ook bewoog hij zich op essayistisch vlak, zoals bijvoorbeeld in De grondslagen eener nieuwe poëzie uit 1907. Adama van Scheltema richtte zijn pijlen dapper op de vermaledijde en lange tijd allesoverheersende poëtica van de Tachtigers. “[E]n van meet af aan was het duidelijk dat hij dat niet deed op kleinzielige gronden, of als epigoon die op een ondergeschikt punt rebelleert om zelf op het kussen te komen. Zijn verzet was principieel en volstrekt; aan zijn kritiek ontsnapt vrijwel geen enkel aspekt van de levenshouding der Tachtigers, evenmin als van hun literaire beginselen die door hem met die levenshouding in verband gebracht werden, precies zoals hij zijn eigen socialisme behandelt als de basis van zijn poëtica.” Zo schreef literatuurwetenschapper J.J. Oversteegen.

Adama van Scheltema debuteerde in 1900 met Een weg van verzen en had al flink wat gepubliceerd toen in 1916 Zingende stemmen verscheen. De bundel is een hoogtepunt in het oeuvre en kenmerkend voor deze dichter; eenvoudige, geëngageerde, toegankelijke gedichten. Geen intellectueel vertoon, geen duisternis, geen vervreemding maar gedichten die de moed erin willen houden, de natuur in relatie tot de mens bezingen en het leed proberen te verzachten. Een bundel vol levenswijsheden en -lessen. Veel gedichten verraden Adama van Scheltema’s socialistische inborst, bijvoorbeeld als hij het lot van de vrouw betreurt (“En elk onzer zusteren hief de / Vlammen van haar ziel in den nacht – / Vlam van leve’ en leed: – vlam van liefde, / Van liefde, die niets verwacht.”), de vrede bezingt (“Vrede spreid gij uw zachte vleugels / Over de donkere aarde heen –”) of in ‘Te wapen’ de “waanzin van ’t geweld” bekritiseert. In andere gedichten als ‘Ontwaken bij regen’ en ‘Het eeuwig Lied’ is de boodschap dan weer wat minder prominent, met als hoogtepunt het gedicht ‘Picturale Sotternije’: “Zat de heele groene palmboom / Op eens vol veeren veeren veeren, / Van geel en rood en blauw en groen, –”.

En wat die afkerigheid van de ‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ (het motto van de Tachtigers) betreft, daar is ook Adama van Scheltema niet altijd vies van: “Nog gebogen door den druk / Van het menschenleven, / Vind ik menschelijk geluk, / Waar geen menschen streven.”

Alfred Schaffer


Langs het Getijde

Het schemert, en
Waar 'k peinzend langs de golven ga
En peinzend naar hun ruischen hoor,
Ruischt al hun vloed mij schuimend na
En wischt mijn spoor.

Het schemert, en
Waar 'k wijkend het getij beleef,
Ruischt het getijde op mij aan
En wischt wat 'k in mijn hart beschreef -
Wat 'k heb gedaan.

Het schemert, en
In 't ruischend wit getijde zie 'k
Een bleeken, vreemd geworden geest -
En 'k peins naar wie ik was - naar wie 'k
Eens ben geweest!

Na den Regen

Na den regen straalde de avond
En breidde zijn blauwe armen wijduit
En hief het lachend gelaat van de aarde
Door den dunnen nevel van tranen
Voor hare fonklende wimpers
Weder blozend omhoog;

...

Laat mij zoo lachen hemel,
En hef mijn ziel tot uw borst,
En laat de dampen van mijn leed
En van mijn kleinheid en van mijn duffe gedachten
En van mijn dierlijke lijf -
En allen mist der blinde wezens
Van deze wereld
Wegtrekken van mijn ziel!

Nazomer

Vaag drijft door de open deur
De bleeke avondwind
Een bitter killen geur -
Alsof de herfst begint.

Vaag, als een vallend blad,
Daalt door mijn leegen geest
Herinnering aan wat
Wel eenmaal is geweest.

't Is of mijn hart verstomt
En of ik stil verga,
't Is of de herfst al komt -
Hij komt weldra - weldra!

Bede

Lichte nacht, die lichter zijt
Dan mijn donker droeve dagen,
Sterrennacht, die grooter zijt
Dan mijn kleine hart kan dragen -
Laat mij knielen in het duister,
Waar geen sterveling mij ziet,
En mij bidden tot uw luister:
Doof het licht mijns harten niet!

Het eeuwig Lied

Ik lig en luier in de wei -
En boven mij de hemel,
De groote, blauwe, blonde lucht,
En boven mij een blonde vlieg,
Die zweeft - en zingt - en zoemt -
Weg! - en weerom!
En zingt en zoemt, -
En 'k luier-luister naar haar lied -
Beduidt het iet -?
Ik weet het niet.

Ik lig en luier in de wei -
En ginder zit een vogel,
Een vogeltje van pie-pie-piet!
Ik hoor het, maar ik zie het niet -
En boven mij de hemel,
En in het blauwe lentelicht
Dat klein onnoozel lentelied
Van pie-pie-piet - -
Beduidt het iet -?
Ik weet het niet.

En 'k lig en luier in de wei -
En naast me op eens een krekel!
Kri-kri! - kri-kri!
Die zingt het mooiste van de drie -
En boven mij de hemel,
De groote, blauwe, blonde lucht,
Ja, ja - kri-kri! - kri-kri! - kri-kri!
Gelukkig beest! gelukkig lied!
Beduidt het iet -?
Ik weet het niet.

En boven mij de hemel,
Met al zijn eindeloos verschiet,
Met al zijn eindelooze licht -
En boven mij de stille tijd,
En boven mij de eeuwigheid, -
En 'k luister, luister naar haar lied,
Haar eeuwig - eeuwig - eeuwig lied -
Beduidt het iet -?
Ik weet het niet -
Ik weet het niet!

Te wapen

Te wapen! 't roept: ‘te wapen!’ -
De kreet gaat als een geesel los -
Daar springt het als een spokend ros,
Daar holt het al door beemd en bosch,
Daar davert het: ‘te wapen!’ -
Zij ijlen op dien luiden last,
Zij grijpen lood en ijzer vast,
En allerwegen roept en wast
Dat wilde woord: ‘te wapen!’

Te wapen! 't roept: ‘te wapen!’
En bonzend port het - klop! klop! klop!
Aan ieder hart aan ieder kop:
Trek tege' uw menschenbroeder op
En slacht hem met uw wapen! - -
Zij rennen op een blinden hoop,
En 't blinde noodlot neemt zijn loop -
Zij vallen bij den eersten doop
En blijven eeuwig slapen.

Te wapen! en 't roept: ‘te wapen!’
En nieuwe scharen zijn gehaald,
Getooid, getuigd, gespoord, gezaâld -
En uit hun starre oogen straalt
De glans van 't valsche wapen;
Zij zijn uit huis en hof vergaard,
Zij stijgen op hun stampend paard -
En uit hun harde oogen staart
De doodswil van het wapen.

En overnieuw! - en nieuwen weer: ‘te wapen!’
Ligt de eerste vijand neergeveld,
Dan gaat het gauw om goed en geld,
Dan groeit de waanzin van 't geweld
Te rooven en te kapen, -
Dan gaat het om een mensch zijn dood,
Een mensch zijn goed en bloed en nood -
Zoo verven zij de wereld rood
Met hun betooverd wapen! - -

Te wapen! - hoor: ‘te wapen!’
Waar hijgend heel een menschheid streed,
Waar heel de wereld druipt van leed,
Rijst uit de aard een nieuwe kreet:
‘Te wapen! - óns het wapen!’
En 't roept - het groeit, het nieuwe woord -
O makkers! roept het verder voort,
Dat ieder menschenkind het hoort: -
‘Ontwapen hen! ontwapen!’

‘Ontwapen hen! ontwapen!’
Vecht tegen miss'lijk onverstand,
Vecht tegen al wat samenspant
Met lood en dood en moord en brand -
Te wapen! taaie knapen!
Komt kerels! kerels houdt u kloek!
Vecht tegen dien verdoemden vloek!
Vecht! vecht gij voor ons roode doek!
Te wapen! - om het wapen!

Sta op! - op! op! te wapen!
't Gaat tegen al wat ons verblindt,
Het gaat om al wat samenbindt -
't Gaat om de toekomst van uw kind:
Kind tot geluk geschapen! -
Help, help te strijden voor 't geslacht,
Dat staamlend in zijn wiege lacht,
Dat op úw durf en daden wacht - -
Te wapen! - om het wapen!







• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen