maandag 14 december 2015

Voor de verre prinses 10: Herman De Coninck -- Water. Soms loopt het rechtdoor

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* dbnl
* wikipedia
* website
* leestafel
* citaten







• Vandaag de tiende aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Water. Soms loopt het rechtdoor
als een ideologie, een vastberaden stoet
van stilte, naar de zee,
de grote internationale
waar alle water zijn overtuiging haalt
(om desnoods dijken te breken).
Soms hangt er nevel over:
dromend water: het droomt dat het zweeft
en dan zweeft het ook. En later, oud geworden,
Trekt het zich terug in een vijver
met een rijk innerlijk leven.
Water, alle schijn draagt het in zich mee
en blijft altijd zichzelf, altijd anders
en altijd water.


Herman De Coninck (1944-1997)
uit: De gedichten (2014)

Adembenemende Ogenvijver,

Toen mijn jongste dochter anderhalf was, stond ze voor het eerst oog in oog met de zee. Ze droeg een wit zonnehoedje, met een touwtje onder haar kin gestrikt. Over haar luier een stoere zwembroek, iets te veel op de groei gekocht. Ze zag eruit alsof ze op ontdekkingsreis ging.
       Het water kwam in voor haar huizenhoge golven aanrollen. Ze zette zich schrap, stak haar rechterhand in de lucht en riep: ‘Ho ho ho.’ En ja, vlak voordat de golven op haar neer zouden vallen, hielden ze halt. Ze liet haar hand zakken, tevreden over het resultaat, en stapte verder langs de kustlijn.
       Ik heb altijd erg van water gehouden, iets wat in mijn geboortestreek niet vanzelfsprekend is. Wij hadden alleen een beek in ons dorp. En natuurgebied De Banen, waar een paar enkeldiepe waterplassen de zee representeerden. Met een beetje goede wil zou je de nabijgelegen Ospelse Peel drassig kunnen noemen, maar voor de rest was het zanderig zover het oog reikte.
       De eerste keer dat ik de zee zag, was ik een jaar of acht, tijdens een schoolreisje. We liepen erheen door een duingebied, en ineens zag ik haar. Van links naar rechts en tot aan de horizon: overal water. Bewegend water. Groen en blauw water, een vermoeden van oneindigheid, het idee dat het land ophield en overging in water, water en nog eens water. Mijn keel werd dichtgeknepen, totdat ik een leraar hoorde zeggen: ‘Ja, wel mooi, maar niet zo mooi als de Maas.’
       Omdat ik al ouder was, hoefde ik niet meer ‘ho ho ho’ te roepen. Toch duurde het bijna een uur voordat ik echt de zee in durfde, voordat ik mijn schroom geheel had afgelegd. Voetje voor voetje kwam ik naderbij, tot ik, weer een kwartier later, volledig door zeewater was omgeven. Dit was het dus. Hier zou ik de rest van mijn leven naar blijven verlangen. Zwemmen in zeewater.
       Het gedicht van Herman de Coninck vond ik in Water, een bloemlezing van Nederlandstalige gedichten, die ik zondag op de Beurs van Bijzondere Uitgevers kocht. Gerrit Komrij schrijft in het voorwoord: ‘De Nederlandse dichtkunst is ten nauwste verbonden met het water. Dichters mogen zich naar buiten volgelingen wanen van een sterker vocht, water blijft een onvermijdelijke en dankbare bron van inspiratie. Waar het land vol van is, daar is zijn dichter vol van.’
       Is het een goed gedicht? Nou, ik weet het niet. Het is wel heel erg De Coninck. In zijn meest recente boek Mijn gedichtenschrift omschrijft Benno Barnard het werk van zijn vriend Herman redelijk adequaat, als hij het heeft over het herlezen van de verzamelbundel De gedichten:
Soms lees ik daarin. En dan herinner ik me mijn bewondering voor Hermans achteloze meesterschap (...). Maar uit het struikgewas van de semantiek springen zijn irritante woordspelingen weer op mijn nek; en onvermijdelijk moet ik ook denken aan zijn traumatisch-katholieke levensfilosofie, waarmee hij me ergerde omdat hij er nooit werkelijk over doordacht.
In dit gedicht heeft De Coninck er ook wel last van, van die uit struiken springende ellendelingen. Vooral in de eerste zes regels, die alleen met de mantel der liefde eroverheen heel erg goed te verdragen zijn. Een rechtdoor lopende ideologie. Een vastberaden stoet van stilte. Dat met die dijken, die de internationale moeten tegenhouden. Nee, bedankt.
       Maar dan komt het achteloze meesterschap om de hoek kijken, vind ik. De Coninck heeft zich zes regels lang warmgeschreven (je gaat het vanzelf overnemen, die metaforen), als een soort Dafne Schippers, en vanaf regel zeven lopen kracht en souplesse synchroon. (Ik moet zelf bijna uitrusten van deze zin.)
       Het achteloze meesterschap is helaas iets te achteloos, naar mijn smaak. Het is heel mooi hoe hij dat doet, vooral die zin over dat zich in een vijver terugtrekkend water-op-leeftijd vind ik erg goed gevonden, en het fundament van het hele ding. Maar. Maar op het eind vind ik dat de constatering dat water altijd water is aan de dunne kant. Om niet te zeggen dat ik het een platitude vind.
       Gek genoeg ergert het me niet, ergens blijf ik bewondering houden voor de manier waarop De Coninck dit opbouwt en met een zeker aplomb presenteert. Hij flikt het toch maar. Bijna niemand komt met zoiets weg. Toen hij nog leefde, heb ik hem eens zien voorlezen; tijdens de tien minuten dat hij aan het woord was, zag je bijna alle vrouwen verliefd op hem worden. Zoiets zit ook in zijn werk; het is charmant en deels onweerstaanbaar.
       De Coninck wil in dit gedicht blijkbaar een conclusie trekken, en dat lijkt me geen goed idee. Een milde vorm van moralisme ligt op de loer. Je zou bijna instemmend gaan mompelen, gezellig, samen met de dichter, over dat dekselse water, dat water is en water blijft. Poëzie als gezelligheidsvereniging, waar je de pantoffels aan mag en het dragen van huiskleding is toegestaan.
       Het is misschien beter om, als een gedicht voorbij is, op helemaal niks uit te komen. ‘Water. Soms loopt het rechtdoor’ is een vroeg gedicht van De Coninck, ‘Zoals dit eiland van de meeuwen’ is van later, het is opgenomen in Enkelvoud, uit 1991, zes jaar voor zijn vroege dood. Twee keer niks en toch twee keer alles. Ik denk de zee om dat eiland er zelf even bij. Want die ligt daar natuurlijk ook van niemand te zijn, in al haar onverzettelijke golfslagelijkheid:
Zoals dit eiland van de meeuwen
is en de meeuwen van hun krijsen
en hun krijsen van de wind
en de wind van niemand,

zo is dit eiland van de meeuwen
en de meeuwen van hun krijsen
en hun krijsen van de wind
en de wind van niemand.
De slotbeelden van de documentaire 20.000 days on earth, over Nick Cave, brengen de zanger in beeld op het strand van Brighton. Eerst zie je hem heel goed en dan wordt er langzaam uitgezoomd.
       Daar staat hij, imposant, op het stenenstrand, de huizen op de achtergrond, de zee als aanwezigheid voor hem, maar het is allemaal gefilmd vanaf de zee, of hangend boven de zee, dus die zien we niet; en toch is zij er, en juist dat maakt het beeld weemoedig, zoals kustplaatsen weemoedig zijn.
       Deze zomer, toen ik jou nog niet kende, was ik in Oostende. Ooit gaan we daar samen heen. Ik wandelde elke dag een flink stuk langs de zee en heb zelfs twee keer gezwommen, al was het water kóúd. Oostende is een van mijn favoriete steden. Niet omdat het er zo mooi is, maar omdat alle tijdlagen er door elkaar heen lijken te lopen en je niet verbaasd zou zijn als er om een uur of zeven in de avond ineens een man de straat in loopt die de gaslantaarns komt opsteken.
       Het eerste wat je trouwens hoort als je in Oostende uit de trein stapt en het station, dat altijd in verregaande staat van onderhoud verkeert, zijn de meeuwen. Hugo Claus noemt dat geluid in zijn gedicht ‘Oostende’: ‘Het wreed gekrijs van de meeuwen.’ Maar dat vind ik overdreven, want de meeuwen krijsen niet alleen, ze monkelen ook, praten binnensmonds over de dingen die ze hebben gezien en niet aan derden mogen doorbrieven, en soms lachen ze een beetje voor zich uit. Want meeuwen zijn heel wijs, zij het enigszins cynisch.
       Op een dag ging ik eten in een Chinees restaurant aan de Zeedijk. Ik moet bekennen dat ik dat altijd doe, als ik in een stad ben, naar een Chinees gaan. Deze heette Cindy & Wong, en een nogal mollige mevrouw die zich in een adembenemend wit ensemble had gehesen (‘U kunt het heel goed hebben, mevrouw’) moederde op een mij bijna te veel wordende manier over haar klandizie. Ik weet niet of zij Cindy was, of Wong.
       Ik zat, om mij een houding te geven, in mijn dagboek te schrijven. Op een gegeven moment kon de mevrouw haar nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en opende ze de aanval.
       ‘Bent u verliefd?’
       Ik antwoordde dat dat niet het geval was.
       ‘Alleen verliefde mensen schrijven.’
       Dat vond ik een originele gedachte.
       ‘Als u weer terugkomt meneer, neemt u uw toekomstige geliefde mee.’
       Ik beloofde haar dat ik dat zou doen en je weet, Ogenvijver, dat belofte schuld maakt. Zeker aan mevrouw Cindy of Wong.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.     

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen