donderdag 10 december 2015

Voor de verre prinses 6: Sebastiene Postma -- XXXVIII

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* atlascontact
* over
* recensie








• Vandaag de zesde aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


XXXVIII

Op de trap van iemand anders moeten lopen
is een foltering voor je voeten, klaagde Dante*.
Alles doet pijn. De ondergrond, de kleine schoen,
de grootte van de pas. Hij had het over ballingschap.
Niet over lezen.
De dichter was in 1302
tijdens een burgeroorlog
verbannen uit zijn geboortestad Florence.
Nieuwe machthebbers in de stad hadden
hem veroordeeld tot de brandstapel
en zijn trap geconfisqueerd toen hij
even in Rome verbleef. Hij keerde
niet meer terug naar zijn grond.

Voorovergebogen zoekend volg je met de hond
het vossenspoor. Je herkent de pootafdrukken.
De print van de vetkussentjes
en nagels in het zand. Het patroon
loopt door tot de rand. De linker- en
rechterpootafdrukken vormen samen een
meanderende lijn. Je zet je voet op de lijn
en kijkt. Waar is het beest naartoe gevlucht?
Waar is de burcht? Je wandelt verder
in het spoor en wist met je stappen de voor.

Verander je in wat je opjaagt? Muteert je voet
of poot? Ontmoet je iemand?


---
* ‘... hoe de voeten foltert / het op- en afgaan langs een anders trappen.’ (Dante Alighieri, De goddelijke komedie)


Sebastiene Postma (1957)
uit: Trappen (2015)



Lief Leesbeest,

De geschiedenis van de poëzie begint met elke bundel die verschijnt, met elk gedicht opnieuw. Dat is na ‘Hebban’ zo, en dat zal doorgaan tot de laatste dichtbundel, ooit, verschijnt. Elke keer herbergt een nieuw verschenen boek een belofte. Zou dit het meesterwerk zijn of een meesterwerk bevatten? Het debuut zijn van een groot dichter? Of is het niks? Een paar maanden geleden kreeg ik een bundel opgestuurd van een debutante. Die nog heel weinig in tijdschriften had gepubliceerd en een wit, eenvoudig beletterd bundeltje van achtenveertig pagina’s in de wereld zond.
      Sebastiene Postma maakt trappen. Die vermomt ze als gedichten en achtendertig van die gedichten nam ze, romeins genummerd, op in haar debuutbundel Trappen.
      De gedichten XXXIX en XL bevatten geen trap. XXXIX gaat over John Taylor, dichter en veerman op de Theems. Die de rol van Charon vervult en ons uit de bundel wegvoert, onze eigen eeuwigheid weer in. Via een horizontale trap van water, zou je kunnen zeggen. XL is een lijst van de dichtersnamen die Postma in de eerste negenendertig gedichten heeft behandeld: een namenladder. Van W.H. Auden tot en met Edward Young, via allerlei (voornamelijk Engelse) namen, maar Francesco Petrarca en de niet-dichtende Augustinus van Hippo zijn ook opgenomen. Dus eigenlijk bevatten alle veertig gedichten trappen.
      Dante Alighieri staat er ook tussen. Jouw Dante, wilde ik bijna zeggen. Ooit zag ik je Dante lezen. Je had een groot boek op schoot, van de Wereldbibliotheek, waar je naar zat te staren, want je zocht een paar regels die je me wilde voorlezen. Regels waar je aan had moeten denken, en die je voor je afstuderen in een wat groter verband had bestudeerd en in een scriptie verwerkt.
      Voor mij had je best eeuwig zo mogen blijven zitten, of in elk geval veel langer dan je deed.
      Je zat op de bank te lezen, af en toe vooruitbladerend, je keek heel ernstig, wat er op duidt dat je je concentreert, en dat het voor mij niet het goede moment is om te vragen: ‘Heb je die regels nu al gevonden?’ Ik zweeg en keek hoe je de versregels aan je voorbij liet trekken. Stiekem bewonderde ik je.
      Omdat je je zo goed kunt concentreren en omdat ik Dantes hoofdwerk nooit heb gelezen. Wel doorgenomen. Dat wil zeggen, ik heb kennis genomen van sommige passages die vaker geciteerd worden, grasduinde door vertalingen en heb een idee hoe het gigantische gedicht in elkaar zit, en waar het over gaat.
      Ter verdediging: Faust van Goethe las ik wel. In het Duits. Maar Dante? Nee.
      Natuurlijk is deze verdediging te flauw voor woorden. Vroeger dacht ik dat ik ooit alle klassieken wel gelezen zou hebben. Omdat het moest en omdat ik meer tijd van lezen zou hebben gehad. Nu weet ik dat je, hoe langer je leest, steeds meer boeken nooit zult lezen. Gelukkig maar.

De bundel van Sebastiene Postma heb ik wél gelezen. Daarin worden zo veel anekdoten, verhalen en merkwaardige dwarsverbanden tussen dichters verteld, dat je het idee hebt dat je een heel leerboek hebt doorgenomen. Want Trappen is, vooral, een boek over dichters, kunstenaars en gedichten, die als trappen tussen alle mensen en dingen fungeren die Postma ons in klein bestek presenteert.
      In de eerste strofe over het gedicht over Dante begint de dichter in een net nog te verdragen parlando met het oplepelen van weetjes uit het leven van de Italiaanse reus. Toch blijf ik als ik de vijfde regel lees even stilstaan. Wat gebeurt daar? Postma maakt dat citaat over het lopen op vreemde trappen, het leven in ballingschap, tot een citaat over lezen.
      Althans, ze zegt dat het dat niet is, en net zoals je aan een witte olifant denkt als iemand je opdraagt dat niet te doen, denk ik na haar opmerking bij dit citaat aan lezen. Lezen als het ‘op- en afgaan langs een anders trappen.’ Ik geloof niet dat ik lezen ooit mooier omschreven zag. Zo is het dus, iemand bouwt een trap, en via dat staketsel moet jij, als je het boek leest, naar boven of naar beneden. Het is niet een trap die je goed kent, het is een trap die je altijd weet te verrassen en die je nooit zo vertrouwd wordt als de trap in je eigen huis.
      In de tweede strofe verlegt Postma het perspectief naar iemand die met de hond aan het wandelen is. Die persoon ziet de sporen van een (aangeschoten?) vos, die worden gevolgd. Dante was een balling, de vos is - waarschijnlijk, al is dat niet zeker - naar zijn burcht gevlucht. De persoon wist de sporen die ze volgt. Zou de vos, anders dan Dante, nog kunnen terugkeren op zijn schreden?
      De derde strofe vind ik erg mooi. De opgejaagde mens of het opgejaagde wild en de jager gaan een symbiose aan, ook al willen ze dat niet. Je voet en je poot veranderen van structuur en uiterlijk als je ergens anders moet wennen, ergens waar je niet thuis bent.
      En dan die vraag. ‘Ontmoet je iemand?’ Stel, je wordt opgejaagd, is dat dan de vraag die je jezelf het eerste stelt? Misschien wel. Want als je iemand ontmoet, echt ontmoet als je wordt opgejaagd, kan die je leven redden, kan die je weer veranderen in degene die je was voordat je voet of poot muteerde, voordat je veranderde in de persoon die je op meende te moeten jagen.

De gedichten van Postma hebben allemaal die combinatie van onnadrukkelijkheid, dat parlando dat als een hardnekkige grondtoon overal doorheen klinkt, en een niet meteen opvallende diepzinnigheid, die ze achteloos uitserveert. Anders zou die diepzinnigheid zeker niet te verdragen zijn.
      Ze zijn als gesprekken tussen literatuurliefhebbers, deze gedichten. Gesprekken die in het beste geval een combinatie zijn van een uitwisseling van feiten en het raken aan net niet-zegbare. Dat toch, via anekdotes, metaforen en plotselinge tussenzinnen, altijd tussen de regels door, gezegd kan worden.

Heel recente gedichten zijn net zo duister als heel erg oude gedichten. Het werk van Postma is net zo ondoordringbaar als het werk van Dante. Bij de een is de nabijheid een belemmering, bij de tweede de immense afstand, die alleen met een heel erg hoge trap de diepte in te overbruggen is.
      Het is onzin om te denken dat heel recent werk beter te begrijpen is, omdat het is geschreven door een tijdgenoot. We herkennen dingen, sommige woorden vallen ons op, we leggen verbanden die ons allemaal tegelijk zijn aangeleerd. Maar de tijd moet er nog overheen. En op den duur is er zo veel tijd overheengegaan, dat we ons niet direct meer een idee kunnen vormen over die tekst.
      Daarom was jouw concentratie, lief Leesbeest, ook een poging om te naderen. Je zocht in die rijstebrijberg van regels naar een regel of zestien die je op onze situatie kon betrekken. Die je me kon voorlezen. Die, heel even, een apart gedicht vormden, een gedicht dat een web van betekenissen aanlegde tussen jou en mij.
      We stonden samen op een ladder. Niet te hoog, en niet te laag. Het verhaal ging, zoals het hoort, over de liefde.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen