maandag 7 december 2015

Voor de verre prinses 2: Anneke Brassinga -- Liefdeslied

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* kb
* wikipedia
* dbnl
* leestafel
* pc hooftprijs






• Vandaag de tweede aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers. Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Liefdeslied

Als hij lacht dan sneeuwt het rozen
zijn wenkbrauw is een dennenbos
of brandnetels, wuivend in de wind.
Als hij lacht dan sneeuwt het rozen,
ik heb hem lief, ik ben zijn kind.

Zijn oor een vat vol fluistering,
het fluistert er vol rozen
en honinggeur hangt in zijn haar,
zijn hand, een korenaar.
Het sneeuwt, als hij lacht, vol rozen.

In een zwerm vlinders wandelt hij
aan mijn zij, tussen berken.
De vlinders aaien de rozen,
ik aai zijn korenaar
als een vlinder sneeuwt hij rozen.

Anneke Brassinga (1948)
uit: Aurora (1987)




Bezitster van het mooiste sleutelbeen ter wereld,

De geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie is geen chronologische aangelegenheid, net zoals onze gesprekken dat niet altijd zijn. We (ik) springen (spring) van de hak op de tak en volgen onze eigen logica. Daarom nu niet eerst de schrijvers van ridderverhalen, Hadewych, Anthonis de Roovere, Bredero en hoe ze verder allemaal mogen heten. Die komen nog wel aan bod, maar we zetten ze even in een zijkamer.
      Voor deze ‘methode’, die er geen is, heb ik legitimiteit gevonden bij Rudy Cornets de Groot, de overleden vader van mijn vriend Rutger. Hij schrijft in zijn boek Ladders in de leegte (1981):

Ik ben mijn eigen en enige partijganger, en meer heeft mijn partij ook niet nodig. Ik stroop de open ruimte af, ervoor wakend uitsluitend mijn arme hersens te misbruiken, ervoor zorgend mijn droomleven stevig in de hand te houden. Ik vertik het mijn taak uit het geheel te lichten, integendeel, ik plaats die in de totaliteit die mijn realiteit is, en die o.m. mijn relatie tot deze poëzie, deze dichter en deze en diens wereld bevat. Ik lever een prestatie die aan het bewuste en het onbewuste op democratische wijze het hun toekomende deel laat. Ik kan iedereen de rotzooi-maar-aan-methode dan ook van harte aanbevelen. Want daar is immers een voortdurend ómdenken, nieuw ontdekken, een denken als een persoonlijke gebeurtenis. Ik ga liefdevol om met poëzie, – ik zit niet ‘objectief’ tegen een ‘tekst’ aan te hikken, dat is alvast een belangrijk verschil. Bij mijn methode is, evenals bij Lucebert, sprake van een bezig zijn, dat denkend zich voltrekt, en een denken, dat begint bij het doen. Een denken dat tot denken opvoedt, dat de creatie van nieuwe, andere samenhangen mogelijk maakt.
Daarom: ruim achthonderd jaar nadat de anonieme kopiist van ‘Hebban’ iets in de marge van een manuscript krabbelde, publiceerde Anneke Brassinga dit ‘Liefdeslied’, waar ik ongeveer een week geleden opnieuw achter bleef hangen, toen ik een door mij in 2006 samengestelde bloemlezing doornam.
      Ik herinner me dat nog goed, dat bloemlezen, een werk dat ik schromelijk had onderschat (‘dat doe ik wel even’) en waar ik niettemin de beste herinnering aan bewaar. Dat komt onder meer door dit gedicht. Ik kende het voordat ik het koos voor mijn bloemlezing niet, en na dat jaar heeft het me nooit meer losgelaten.
      In een dennenbos kun je heel veel nesten bouwen. Nesten in een wenkbrauw: zelden las ik een lijfelijker en mooier beeld. Ik kan het me allemaal precies voorstellen, de dichteres, tot over haar oren verliefd, lopend naast precies die man op wie ze stapelverliefd is, een kettingreactie van lijfelijke beelden die haar overvalt, overweldigt, weerloos maakt.
      Hier moet ik natuurlijk, als ik kies voor precies lezen, aantekenen dat het om een vader en een dochter zou kunnen gaan. De dochter wandelt met de door haar beminde vader, ze zijn op weg. We weten niet waarheen, maar dat de dochter van hem houdt, staat vast. Ik weet niet waarom ik deze optie, die voor de hand ligt, niet kies, maar ik kies hem niet – en lees dit gedicht als liefdeslied. Misschien gaat dat binnen nu en een paar jaar over, en verandert het voor mijn gevoel in een vader-dochter-vers; we zullen zien.
      De man, een wonder van de natuur zou je kunnen zeggen, een mens, een dier, een plant en een boom tegelijk, is vertrouwenwekkend (‘ik heb hem lief, ik ben zijn kind’) en vreemd tegelijk, want hij valt uit elkaar in een regen van rozen, een veld vol brandnetels, een zwerm vlinders, hij wordt steeds fragmentarischer en, wellicht, onkenbaarder. Verliefdheid is mooi, maar de angst voor het verlies en voor de versnippering of versplintering zit er al ingebakken. Dat laatste is mijn interpretatie, want je zou ook kunnen zeggen dat ze de man bezingt zoals er in het Hooglied wordt gezongen, ze zoekt vergelijkingen om de eigenschappen die hij voor haar heeft te beschrijven.
      De meeste liefdesgedichten gaan over een verloren of hopeloze liefde, over liefde die in ‘achterklap en jaloezie’ (Jean Pierre Rawie) zijn vastgelopen. Brassinga schrijft als een van de weinige dichters die ik ken over het mooie gevoel dat (prille) verliefdheid is, een volledig onderuitgaan, met een storm aan beelden.
      Want niet alleen de man valt uit elkaar of transformeert, de dichter pakt in dit gedicht uit, ze gebruikt de taal om hem, als haar instrument, tot klinken te brengen, en in de slotstrofe komt ze beelden en interpunctie tekort om te schrijven wat ze wilde schrijven. Het wordt haar niet alleen te veel, het is te veel. Dat schrijft ze op, en waarschijnlijk is het daarom ook goed.

Ik herinner me onze eerste wandeling, die geen wandeling was. We waren samen in een café in Utrecht geweest en jij moest terug naar je eigen stad. Via de Oudegracht, de Lange Viestraat en Vredenburg liepen we naar het station.
      Buiten greep ik naar je hand, een gebaar dat je beantwoordde. Je zei dat ik droge handen had, maar liet niet los. Daarom liepen we, hand in hand, door het nachtelijke Utrecht, en ik kan zonder overdrijving zeggen dat ik nog nooit zo gelukkig, als een verliefde vogel die naast zijn vogelmevrouw voortschrijdt, door Utrecht heb gelopen.
      Het was een vorm van trots die me overviel; daar loop ik, met de bezitster van het mooiste sleutelbeen ter wereld, en zij? Ze houdt me vast, ze laat me tot ze in de trein moet stappen niet meer los.
      Tegelijkertijd snap ik Brassinga’s gedicht na die wandeling veel beter. Je was, voor mijn gevoel, voortdurend in beweging, alles aan je lichaam was een wirwar van licht en duikvlucht, er vonkten sterren omheen, je kon elk moment veranderen in een grasveld of in een bos waarin je alleen maar wilt verdwalen of in een spreeuwenwolk die soms boven de kade waaraan ik woon hangt.
      Het woord is vlees geworden, schreef de evangelist Johannes, maar in dit geval was jouw lichaam, net als dat lichaam van de man met wie Brassinga wandelt, tot natuurverschijnsel getransformeerd. Ik liep ernaast en wist niet wat me overkwam. Je lichaam was te veel, ook al is het niet heel groot, in centimeters gemeten.

In 2005 gebeurde er een kleine ramp. Anneke Brassinga publiceerde bij De Bezige Bij een grote overzichtsbundel van haar werk, onder de titel Wachtwoorden: verzamelde, herziene gedichten 1987-2003. Daarin is ‘Liefdeslied’ opgenomen, in een geamputeerde versie:
Als hij lacht, dwarrelt het rozen,
zijn wenkbrauw is een dennenbos
of brandnetels, wuivend in de wind.
Als hij lacht, dwerelt het rozen,
ik heb hem lief, ik ben zijn kind.

Zijn oor een vat van fluistering,
het fluistert er vol lover
en honinggeur hangt in zijn haar,
ik aai zijn korenaar.
De wereld, als hij lacht, vol rozen.
Het gedicht is ineens ‘af’. Het vrolijke ritme dat in de eerste versie zit, is verdwenen. Brassinga heeft het woord ‘dwerelt’ toegevoegd, een daad waar ooit eens iemand op zal afstuderen (‘Semantische verschuiving bij Brassinga’), zonder te vermelden dat dit interessantdoenerij in het kwadraat is. De dichteres heeft haar eigen gedicht onherstelbaar verbeterd, al moet ik zeggen dat ik de tiende regel echt heel mooi vind, in deze versie.
      Ik vraag me af of meer dichters dat hebben, de neiging om een gedicht van vroeger, een gedicht dat vonkte en knetterde, met de bezonkenheid van het poëtische meesterschap tegemoet te treden en het aan te passen. Ik vraag me ook af of dit niet verboden zou moeten worden. Het is terrorisme tegen eigen werk.
      En ik weet wel, dat de nieuwe versie dichter bij het rondeel komt, de dichtvorm die ze hier wil bedrijven. Maar ik heb altijd een hekel gehad aan dat soort formaliteiten, net zoals ik een hekel heb aan dichters die fetisjisme met de taal bedrijven zonder er heel goed bij na te denken, bijna als een daad van poëtisch-correct handelen.
      Daarom zal ik het in de volgende brief trouwens hebben over een rondeel van Anthonis de Roovere, en over een gedicht van H.H. ter Balkt. Een beetje tegenspraak is me niet vreemd.

Maar jij? Hoe is het ondertussen met jou?
      Je loopt altijd naast me. Je hand in mijn hand. Ik zal handcrème gaan gebruiken. Dan raspt mijn huid niet over jouw zachte huid. We lopen langs de Oudegracht. Aan de overkant bioscoop Rembrandt, helemaal verlicht. De lampjes weerspiegelen in het water, een zwerm vuurvliegjes.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen