woensdag 9 december 2015

Voor de verre prinses 5: Paul Snoek -- Een zwemmer is een ruiter

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* wikipedia
* dbnl
* muurgedicht
* bloemlezinkje







• Vandaag de vijfde aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Een zwemmer is een ruiter

Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water,
is liefhebben met elke nog bruikbare porie,
is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.

En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers,
is met armen en benen aloude geheimen vertellen
aan het altijd alles begrijpende water.

Ik moet bekennen dat ik gek ben van het water.
Want in het water adem ik water, in het water
word ik een schepper die zijn schepping omhelst,
en in het water kan men nooit geheel alleen zijn
en toch nog eenzaam blijven.

Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.


Paul Snoek (1933-1981)
uit: Hercules (1960)



Liefste Vlinderslag,

Van een glas water, gisteren, naar het open water. Het is geen grote sprong, of stap.
      Van de monkelende zanger H.H. ter Balkt naar Paul Snoek - zakenman, Lebemann, schilder, spion, liefhebber van snelle auto’s, iets wat overigens zijn iets te vroege dood werd - is al een grotere. De lyrische gestrengheid van Ter Balkt versus de in het experimentele wortelende zangerigheid van Snoek.
      Toen ik poëzie begon te lezen, in het begin van de jaren tachtig, kende ik maar drie Belgische dichters: Jotie T’Hooft, Paul van Ostaijen en Hugo Claus. De rest van de meute leerde ik pas kennen in 1988, toen ik een semester doorbracht in Leuven.
      Daar volgde ik, in mijn kot waarboven een bordje hing met de tekst ‘Nooduitgang’, een spoedcursus Vlaamse dichtkunst; Hugues Pernath, Karel van de Woestijne, Christine D’haen, Dirk van Bastelaere, Herman de Coninck, allemaal trokken ze voorbij, in boeken die ik uit de bibliotheek van de KUL haalde of in de plaatselijke De Slegte kocht. En af en toe ging mijn deur open, omdat iemand eens wilde weten wat er te zien was achter die deur met Nooduitgang erboven.
Ik, dus.
      In Leuven was ik gelukkig en ongelukkig tegelijk. Ik voelde me ‘bedroefd en goed’, zoals in het gedicht van M. Vasalis. Omdat ik in wezen nog een dorpsjongen was die de verhuizing in 1983 naar Nijmegen niet had verwerkt, miste ik ‘mijn’ stad.
      Tegelijkertijd dompelde ik me met welbehagen onder in die andere straten, die andere café’s, die andere supermarkten en die bakkers en slagers die op zondag wel open waren. Ik weet nog dat ik een keer op zondag in café De Appel zat en ineens werd overvallen door het idee: Je hebt een eigen leven.
      Ik had de deur van de nooduitgang gevonden, ik was alleen zo onverstandig om er niet helemaal doorheen te stappen. Na het semester ging ik terug naar Nijmegen.

Het is een vitaal gedicht. Eerlijk gezegd ben ik daar niet meteen gek op, op vitalistische gedichten. Ik bedoel: die eerste strofe, als ik die lees dan zou ik kunnen denken: Paul, jongen, doe eens niet zo stoer, wie wil je nou precies wat bewijzen?
      Ik hou wel van zwemmen en kan de sensatie die hij beschrijft daarom navoelen. De stoot zuurstof die door je longen jaagt, als je de eerste slagen maakt. Het gevoel vrij te zijn. Hoewel je moet bewegen voor je leven. Daarom vergeet ik de gedachte uit de alinea hierboven en geef ik me over, iets wat de tweede strofe vergemakkelijkt. De stoere dichter is ineens een mens van vlees en bloed geworden.
      Het gedicht wordt pas echt klassiek in de laatste twee strofen. Na het inleidende gespartel uit de eerste strofe en het loslaten uit strofe twee, krijgt de dichter er de gang in. Hij is onderweg. Hij zwemt. Hij is verbonden met al het water om hem heen en toch is hij alleen. Net als de schepper, die zijn schepping omhelst.
      Het gedicht gaat, net als ‘Code’ van Achterberg, over het maken van iets. In dit geval: van poëzie. Een zwemmer is een ruiter. Een dichter neemt het heft in eigen handen. En daarin doet hij, de zwemmer net zo goed als de dichter, zoals de heiligen doen: zich overgeven aan iets wat hem omhult, maar hem kan overmeesteren, als hij niet doorzwemt of als hij niet doorschrijft. Het is een fysieke vorm van heiligwording, eerder aards dan hemels.

Ik was veel alleen in Leuven, wat me de gelegenheid gaf om te lezen én om brieven te schrijven. Gemiddeld vijf per dag. Ik kreeg ook vijf brieven per dag, ik was ‘die Hollander met de brieven’.
      Voor het eerst in mijn leven was ik, via geschreven woorden, verbonden met een heel netwerk aan mensen, die ik kon vertellen waar ik mee bezig was - iets wat ik volgens mij niet zonder pathetiek, maar wel steeds beter schrijvend, deed.
      Wat ik niet besefte, omdat ik me verkeek op dat alleen zijn, was dat ik geknipt ben voor een leven in een andere stad, een stad ver weg van de mensen die ik ken. Dat ik, als ik alleen ben, gemakkelijker tot schrijven kom, en dat ik vanuit de positie van relatieve buitenstaander meer vrijheid heb om te schrijven wat ik wil schrijven.
      Ik moet zwemmen. Ik moest, ook toen al, zwemmen. Helaas, ik zwom niet. Ik keerde terug naar het trapje, klom omhoog en ging terug naar wat ik gewend was. Het duurde nog zesentwintig jaar voordat ik terug in het bad werd geduwd.
      Waarna ik me doodschrok, maar na een maand of vier besefte dat dit het beste was wat me had kunnen overkomen, ondanks alle ellende die er soms bij kwam kijken.
      In de herfst van 1988 woonde ik in een zaal van de KUL een optreden bij van drie toen jonge dichters, onder wie Dirk van Bastelaere. Na afloop van het optreden, of ervoor, werden de dichters geïnterviewd door moderator Hugo Brems – over wie Van Bastelaere later nog lelijke dingen zou schrijven.
      Ik herinner me nog dat het erg druk was in de zaal. Zelf was ik ook een jonge dichter – van plan om het te worden – en ik was zeer onder de indruk van de manier waarop met name Van Bastelaere zich presenteerde: met bravoure, en zelfverzekerd.
      Het overwegend jonge publiek hing aan zijn lippen.
      Niet veel later kocht ik het dat jaar verschenen Pornschlegel en andere gedichten en, in De Slegte, Vijf jaar, de bundel waarmee hij in 1984 was gedebuteerd. Een gedicht daaruit is me altijd bijgebleven:

Curtis

En geen einde dan tot het bittere

Einde. Waar de bittere ochtend
Over de akker kruipt
Als een ooglid, over een blindgestaard oog.

De muren zijn er witter
Dan zweet. Geen huis, geen verhaal
Bood meer schaduw

Dan zijn eigen, zachtaardige hand
Die hij sloot als een gat
In de dag, omdat hij dat uiteindelijk was.

Ik laat de flarden van mijn handen drogen
In de wind en de zon die over de polder ruist
Is een brute zon. Ik heb

Geen schuld te dragen. Ik heb hem alleen
Gewild. Zo zwart en bewusteloos.
Zo onverklaarbaar.

Dat maakte indruk. Ik had de muziek van Ian Curtis en Joy Division net overleefd. Maar waar het gedicht over ging, of gaat? Dat wist ik niet precies en ik geloof dat ik dat nu nog niet helemaal kan zeggen. Wel was en ben ik onder de indruk van de beelden die Van Bastelaere oproept. Dat oog. Die wituitgeslagen witte muren. Die in een gat in de dag verdwijnende zanger.
      De laatste twee strofen, waarin hij op ‘zichzelf’ inzoomt, of de zanger Curtis zelf laat spreken, zijn net zo goed. Mokerslagen. Die eindigen met de twee mooiste mokerslagen: ‘Zo zwart en bewusteloos. / Zo onverklaarbaar.’
      Hier gebeurde iets, in een gedicht, waar ik nog nooit eerder, nooit op die manier, mee in aanraking was geweest. Hier stapelde iemand beeld op beeld, en al die beelden botsten tegen elkaar, gingen in elkaar op, riepen een wereld op die bekend leek, en het niet helemaal was. Het was net of ik naar een film zat te kijken.
      Ik was er bijna bang voor, voor dat soort poëzie. Ik moest een stap maken, die beelden in. Ik moest de woorden nemen voor wat ze waren. En daarna vergeten wat ze betekenden. Ik moest zelf aan het werk, en het werk zou nooit helemaal voltooid zijn.
      In zekere zin gaf Van Bastelaere me net zoveel besef van vrijheid als Paul Snoek deed. Anders misschien, maar ik wist dat het de moeite zou lonen, altijd, om een stap te maken in de richting van de dichter. Dan hoor je hem beter. Je kunt iemand niet verstaan als je op afstand blijft en denkt: Wat zegt hij nou?

We hebben elkaar ontmoet in de herfst, dus van zwemmen is het nog niet gekomen. Maar ooit, lieve Vlinderslag, gaan we zwemmen. Twee heiligenbeeldjes die rillen van de kou en verdwijnen door een gat in het water. Ik zal, voordat het zover is, een paar stappen in je richting doen. En jij?



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen