dinsdag 8 december 2015

Voor de verre prinses 4: H.H. ter Balkt -- Zij draagt een glas water de trap op

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* kb
* dbnl
* wikipedia
* wat gedichten
* npe







• Vandaag de vierde aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Zij draagt een glas water de trap op
voor Wilhelmina Wijbranda

Regenbogen verdringen zich voor het raam
Zeeën verdringen zich onder haar voet
Zij draagt een glas water de trap op

In haar glas boeketten papaver, gouden
korenvelden, sterren van het speenkruid;
stuivende avonden en dorpen, als sneeuw

vlokkend in ’t glas dat zij de trap opdraagt
Het is de grote trap van de stilte naar
de stilte, het is de eindigende trap

Wintercircussen en demonen,
ga weg bij de rand van haar glas
Zij draagt dapper haar groot glas water

Luister toe, in haar bermuda driehoek
willen vliegtuigen en snelle schepen
neerstorten en stranden, aan haar glas

willen lippen vastkleven, geesten, drinkend
en roepend ‘Daar is De Zee, De Zee -’
(Vier straatwegen gluren door het sleutelgat)

Zij draagt haar glas water de treden op
’t Is water dat als helder licht straalt
Zomerwegen; steden; gebergten in haar glas

De balken van het huis omkaderen haar
Laaiend oud water op zeilschepen zingt
van liefde; zij is de liefde

De trap was van geruchten en brak bijna,
knapperig als de takjes van de gedachten
maar zij draagt sierlijk haar glas water

(Alle trappen willen naar ’t luide vuur,
de huizen willen heimelijk naar de kolk
waar ook schepen en vliegtuigen eindigen)

Zij echter draagt haar glas helder water
Zij draagt haar glas de goedmoedige trap op
en zeeën kabbelen diep onder haar voet


H.H. ter Balkt (1938-2015)
Hee hoor mij ho simultaan op de brandtorens, verzamelde gedichten (2014)


Allerliefste Trapoploopster,

Harry ter Balkt woonde in een doorzonwoning in Nijmegen Neerbosch. Ik ben er eens geweest, toen ik hem voor de lokale radio moest interviewen. Het was in het begin jaren negentig.
      Het huis was van buiten zoals zo veel huizen uit de jaren vijftig en zestig: doorzonwoningen in een vaste, onontkoombare vorm. Van binnen was het een kruising tussen een boerderij en een kunstenaarsatelier.
      Voortdurend moesten er katten naar boven worden gestuurd, of juist van boven worden gehaald, want anders zou de arme beesten iets vreselijks overkomen.
      Het huis, van buiten ‘gewoon’, op het onopvallende af, maar van binnen zo vreemd als een huis in bijvoorbeeld de boeken over Harry Potter, leek op het werk van Ter Balkt. Naar de vorm meestal niet heel spectaculair, maar met een inhoud die wel altijd behoorlijk anders is dan die van de meeste gedichten.
      Ik zat letterlijk aan de voeten van de dichter, met mijn opnameapparaat. Hij speelde het spel niet mee en monkelde zich door antwoorden heen. Het ging overal over, behalve over de kwesties die ik in mijn vragen aansneed.

H.H. (Harry) Ter Balkt heeft een soort bekendheid in dichtersland opgebouwd met zijn Laaglandse Hymnen, waarin hij de Nederlandse geschiedenis in versvorm giet, maar ik vind zijn eerdere bundels, die tot en met het eind van de jaren tachtig verschenen, beter.
      Hij schreef nog onbekommerd lyrisch over zijn afkomst, over de verloedering van het platteland rond Usselo, zijn geboorteplaats, en over zijn eigen leven en liefde. Wilhelmina, voor wie dit gedicht geschreven is, was bij leven zijn vrouw, en grote liefde.

Het gedicht gaat over kijken. Over heel goed naar iemand kijken. Die persoon hoeft niet per se een heldendaad te verrichten. Kijk maar, Wilhelmina Wijbranda draagt een glas water de trap op. Hoe vaak is zoiets niet eerder gebeurd?
      Ik heb een keer gekeken hoe jij een stukje brood met ricotta, bieslook, gerookte zalm, bieslook en gemalen peper at. Hoe lang dat duurde, weet ik niet meer, maar ik heb het gezien en ik weet nog dat ik dacht: kon ik dit maar op beeld bewaren.
      Ter Balkt maakte van de gebeurtenis iets groots. Al in de eerste strofe verbindt hij het getemde glas water met de regenbogen, die zich voor het raam verdringen, en met de zeeën die zich onder Wilhelmina’s voeten verdringen.
      En in de rest van het gedicht blijft hij het vergroten, hele werelden ontvouwen zich, komen tevoorschijn uit dat glas water, dat zij nog steeds, stoïcijns, de trap opdraagt. ‘Zij draagt dapper haar groot glas water’.
      Net zoals het gedicht van Brassinga, uit de eervorige brief, is dit een liefdesgedicht dat zich alleen maar bezighoudt met de toegezongen of bezongen persoon. Ook Ter Balkt maakt de beschrijvingen die hij er omheen slingert groot, groter, grootst.
      Maar in de achtste strofe kan hij er niet langer omheen. Eindigend met de kortste regel van het hele gedicht, zegt hij het dan toch:
De balken van het huis omkaderen haar
Laaiend oud water op zeilschepen zingt
van liefde; zij is de liefde
Ook dit gedicht is een Hooglied. Een Hooglied van een hedendaagse, niet erg lang geleden gestorven dichter.
      Als ik dit gedicht probeer te omschrijven, of als ik er grip op probeer te krijgen, merk ik dat ik tekortschiet. Dat is misschien niet het goede woord, maar het gedicht is zo vanzelfsprekend zichzelf dat alles wat ik erover wil zeggen zich aan me onttrekt.
      Zo vergaat het me met jou ook. Ik wil je beschrijven, of ik wil iets over je schrijven, en op het moment waarop ik dat probeer, merk ik dat het me niet lukt. Dan zijn er weer zo veel andere dingen die ik óók moet beschrijven, dan vallen me dingen in die ik over het hoofd zag, en dan denk ik: Ja, zie je, het lukt me niet om je te beschrijven.
      In het gedicht wordt de geliefde door de dichter als ‘bermuda driehoek’ omschreven, als het onbewogen punt waarin alles naar de dood streeft. Nadat hij haar ‘de liefde’ heeft genoemd, komt die vreemde strofe, die tussen haakjes staat en die ik bijna niet kan lezen:
(Alle trappen willen naar ’t luide vuur,
de huizen willen heimelijk naar de kolk
waar ook schepen en vliegtuigen eindigen)
Maar wat in een traktaat over de onvermijdelijke, en ook in de liefde zijn voltooiing vindende dood lijkt te ontaarden, is en blijft een gedicht over een geliefde die een glas water de trap op draagt. Tegen alle stormen in. Hoewel. Ter Balkt heeft al die doodsgedachten en -verwijzingen natuurlijk niet voor niks in zijn gedicht opgenomen.
      Want Trapoploopster, hoe erg het ook is, op het moment dat we elkaar voor het eerst zagen, stond al vast dat we elkaar ooit voor het laatst zouden zien. De schuld van dat einde is, als altijd, de dood. Van een van ons. Daarom zijn al die doodsgedachten die Ter Balkt door zijn gedicht heen weeft niet gratis, of onschuldig. Ze waren bij hem toen hij dit schreef, en hij probeerde ze te bezweren.
      Waarschijnlijk is bezweren niet het goede woord. Poëzie kan niets bezweren. Ter Balkt wilde, net als ik, net als jij, niets liever dan leven, de hele dag onbekommerd leven, alleen wist hij dat er ergens een grens lag – en dat hij die grens in het oog moest houden.
      Jij en ik verschillen hierin. Jij denkt weinig aan de dood, ik denk er af en toe wel aan. Ik weet dat ik nu vijftig jaar ben en dat ik de rest van mijn leven wil doorbrengen met iemand die ik liefheb. Met jou.
      Toch doen wij dat ook. Wij bezweren die doodsgedachten. Mocht je het niet met me eens zijn, dan heb ik een goed plan. Ik strek mijn handen naar je uit en kietel je. Je verzet je, want je wilt helemaal niet door mij gekieteld worden. Je hebt er een hekel aan.
      Omdat ik groter ben dan jij is je verzet zinloos, en even later zie ik je onder mijn handen lachen. Je spartelt en dan lach je, omdat ik iets doe waar je een hekel aan hebt.

Het belangrijkste in dit gedicht is dat glas water. De grote liefde van de dichter draagt een glas water de trap op. Het houdt maar niet op. Hij ziet haar een glas water de trap op dragen en alles, de hele wereld, alle zeeën, het uitspansel, het universum, alles, echt alles om haar heen beweegt en beweegt zich omhoog, die trap op.
      Ik zie meteen de trap in Nijmegen Neerbosch voor me, de trap die werd beklommen om poezen omhoog te dragen, of omlaag. En niet ten onrechte, denk ik, want de beweging is essentieel. Daar gaat ze, Wilhelmina, ze draagt een door een glazen omhulsel omsloten onderdeel van al het water dat in het hele universum te vinden is omhoog, de trap op. De dichter kijkt ernaar en komt bijna, woorden te kort.
      Toch heeft hij genoeg woorden. Die in steeds drie regels, alsof hij een wals aan het dansen is, beschrijven hoe dat – adembenemend – in zijn werk gaat. Ik snap hem heel goed.
      Ik heb je namelijk, ooit, niet alleen een stukje brood met zalm zien eten, ik zag je ook een trap oplopen. De trap van mijn huis. Je was voor het eerst bij me op bezoek en je had een tas bij je. Jouw tas. Ik begroette je in de deur en kuste je. Of nee, jij kuste mij.
      Ik was zo nerveus, en blij. Je liep de gang in en ging naar boven, terwijl ik nog stond te aarzelen. En ik zag je de trap oplopen. Je lichaam, klein en groot tegelijk, ging de trap op, richting mijn huiskamer. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
      Het was de gewoonste zaak van de wereld.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.

maandag 7 december 2015

Voor de verre prinses 3: Gerrit Achterberg -- Code

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* kb
* wikipedia
* dbnl
* genootschap
* wat gedichten







• Vandaag de derde aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Code

De levenskracht die gij eenmaal bezat
verdeelt zich nu over het abc.
Ik combineer er sleutelwoorden mee
en open naar uw dood het zware slot.

Het is, in ’t vers, de figuratie: God,
te vinden in de letters g, o, d,
in deze volgorde, maar niet per se,
ook ander formaties kunnen dat.

Iedere serie, elke schakeling,
uit welke taal genomen, is geschikt,
zolang ze in de juiste spanning staat.

De dichter, onder ’t schrijven, weegt en wikt,
op dood en leven een schermutseling,
totdat de deur eindelijk open gaat.


Gerrit Achterberg (1905-1962)
uit: Alle gedichten (2005)



Lieve Ms. Roaring Twenties,

Daar zaten we dan, ergens in de herfst van 1983. Harry Bekkering, iemand die ze veel later nog professor hebben gemaakt, gaf een college ‘Inleiding in de Hedendaagse Literatuur’, of zoiets. De ruim honderd (100!) eerstejaars Nederlandse Taal- en Letterkunde keken naar het gedicht dat achter hem was geprojecteerd en dachten, ja, wat dachten we?
      Minimaal tien van die achttien- en negentienjarigen dachten in elk geval dat ze schrijver zouden worden, later. En die kenden Achterberg dus wel. In elk geval van naam. Alleen één jongen (die later inderdaad dichter werd) liet merken dat hij het gedicht al kende, dat wil zeggen: hij was de enige die dat durfde te laten merken. Ik kende het gedicht ook, maar kreeg bij het idee dat ik in het openbaar iets moest zeggen bijna een psychose van angst. Ik zweeg, terwijl die jongen die wel durfde zich samen met Bekkering door het gedicht ploegde.
      Ik geloofde in die tijd niet in gedichten die over gedichten gaan. En ik weet nog waar mijn aversie vandaan kwam. Van mijn eerste literaire held Gerrit Komrij, via wie ik de Nederlandstalige poëzie had leren kennen. De eerste editie van zijn grote bloemlezing was mijn eerste gids. Wat hij schreef, was waar. Dat hij nergens schreef dat poëticale gedichten onzin waren, deed er niet toe, mijn aversie was verbonden met de stukken die hij over literatuur schreef, en die ik even gretig las als een ouderling Leviticus of Numeri.
      Met die achtergrond luisterde ik naar Bekkering en de toekomstige dichter. Ik dacht: het zal allemaal wel, met die Achterberg en zijn code. Allemaal tovenarij, bedoeld om de Grote Tragedie van zijn leven te verbloemen. De code die de verhalen over en rond zijn leven op het slot moet houden. Maar wel net doen of hij alles lekker open wil gooien; een onoprechte dichter, die Achterberg.
Bovendien was hij een protestante dichter, en ik herinnerde me nog de grote schok die ik rond mijn tiende onderging, toen ik erachter kwam dat je naast katholieken nog mensen had die een ander geloof aanhingen. Dat kon ik me niet voorstellen, in het door en door katholieke Limburg van de jaren zeventig. Die schok had ook iets te maken met mijn aversie tegen poëticale gedichten. Het woord was wat het woord was, en niet iets anders.
Tot slot had ik het idee dat poëzie alleen maar kan zingen, en niet getuigen. Nergens van. Misschien had ik daar wel gelijk in, maar al tijdens het college begon ‘Code’ aan me te trekken.
Het gedicht was sterker dan mijn meningen over het gedicht, of beter, dan mijn vooroordelen. Ik merkt dat ik de eerste regel zo las: ‘De levenskrácht die gij éénmaal bezát’, en dat dit beter ‘liep’ dan ‘De lévenskrácht die gíj eenmáál bezát’, waar ik met een ingebakken zucht tot jamben toe geneigd was.
      En die God, waar Achterberg het over heeft? Dat is natuurlijk een heel vreemde God, iemand die je met alle letters van zijn naam op alle mogelijke manieren kunt schrijven. Wat is dat voor een God? Geen katholieke, en geen protestante. Eerder een God die ergens in de kelders van Achterbergs geest woonde.
      Toen ik het gedicht na het college las, en herlas, begreep ik steeds minder van het octaaf, hoewel het zo helder is als glas. Er staat precies wat er staat, en toch kan ik alleen maar uitleggen wat er staat door te herhalen wat er staat. De dichter Achterberg had mij, via Harry Bekkering, voor zich gewonnen.
      Hoewel, niet helemáál gewonnen. Ik ben altijd een incidenteel lezer van Gerrit Achterberg gebleven. Hij hoort niet tot mijn favorieten, maar hij hoort er wel helemaal bij.
      Achterberg zet de woorden maximaal onder spanning. Natuurlijk wil elke goede dichter dat doen, of zou elke goede dichter dat moeten doen; het is alleen weinig dichters zo goed gelukt als Achterberg. Zijn (beste) gedichten staan onder hoogspanning, en kunnen elke (her)lezing moeiteloos doorstaan.
      De morbide cocktail van onderdrukte seksualiteit, dood en wanhoop is, juist daardoor, goed te verdragen. Zijn talent als dichter repareert de psychische toestand waarin hij een groot deel van zijn leven verkeerde.
      Toch kan ik er heel vaak niet tegen. Tegen elke keer die mokerslag op datzelfde aambeeld. Tegen die symbolen die tot cymbalen worden, in de ure des doods. Tegen de voortdurende inkijk op ‘de onderkant van kast en ledikant’. Niet omdat ik hem veroordeel. Achterberg en ik zijn niet van dezelfde stronk, dat is het. Ik ben van kruin tot teen een katholieke jongen, en dat was Achterberg niet.
      Het gekke is dus, dat je van poëzie kunt houden waar je niet echt van houdt. Wat in de omgang met mensen niet kan, krijgt de dichter voor elkaar als hij de juiste spanning op de woorden kan zetten. De deur die toegang geeft tot zijn werk gaat open.
      Wat ik pas later zag, is de mooie omschrijving die Achterberg geeft van de manier waarop poëzie werkt. In het eerste terzine vat hij zo goed samen wat poëzie is, dat het de kracht krijgt van een definitie. Het woord ‘geschikt’ speelt hier de belangrijkste rol. Dichten is het schikken van woorden, totdat de juiste spanning erop staat – waarna die woorden geschikt zijn om in het gedicht een rol te spelen.
      En de dichter? Die speelt kan niet anders dan zichzelf op het spel zetten, op leven en dood, iets wat Gerrit Achterberg, wat je verder ook van zijn werk kunt vinden, heeft gedaan. Hij is groot in het aan de lopende band vechten tegen zijn eigen mislukking, gedicht na gedicht. Woord na woord.

Ik denk nog wel eens aan de geborgenheid van die collegezaal. Ik moest er ook aan denken toen wij, liefste, in De Postillon waren, een Utrechts café dat iets van een baarmoeder heeft. De cafékat lag in zijn hokje boven de trap, we dronken bier en buiten regende het zo hard dat we nog niet naar buiten hoefden.
      Je zat tegen me aan en we hadden het over alles waar we het voortdurend over hebben.
      Later liepen we door de stad naar huis. Het was, want zo hoort dat, droog. De keien waren diepzwart en resoneerden het ritme van je mooie roaring twenties schoenen. We passeerden de Maartenskerk, het Gymnasium, liepen over het Ledig Erf richting de Westerkade.
      Ik wist niet of ik de code had, waarmee ik je helemaal kon begrijpen, maar dat was helemaal nergens voor nodig. Je was bij me en we waren in een gesprek verwikkeld dat voor geen enkele hindernis, of wat dan ook, stopte.
      De voordeur stond al open. Ik dacht dat er was ingebroken. Dat bleek niet het geval. Ik had hem gewoon open laten staan toen ik naar onze afspraak ging. Ik was tevreden over de mensen in mijn buurt, die de beleefdheid hadden gehad om mijn huis te passeren.
      Terwijl je de trap op liep, draaide ik de sleutel twee keer om en deed de knip op de deur. Daarna gaf ik je je eigen sleutel van mijn huis, zodat je er in de ochtend niet om hoefde te vragen.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.

Voor de verre prinses 2: Anneke Brassinga -- Liefdeslied

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* kb
* wikipedia
* dbnl
* leestafel
* pc hooftprijs






• Vandaag de tweede aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers. Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Liefdeslied

Als hij lacht dan sneeuwt het rozen
zijn wenkbrauw is een dennenbos
of brandnetels, wuivend in de wind.
Als hij lacht dan sneeuwt het rozen,
ik heb hem lief, ik ben zijn kind.

Zijn oor een vat vol fluistering,
het fluistert er vol rozen
en honinggeur hangt in zijn haar,
zijn hand, een korenaar.
Het sneeuwt, als hij lacht, vol rozen.

In een zwerm vlinders wandelt hij
aan mijn zij, tussen berken.
De vlinders aaien de rozen,
ik aai zijn korenaar
als een vlinder sneeuwt hij rozen.

Anneke Brassinga (1948)
uit: Aurora (1987)




Bezitster van het mooiste sleutelbeen ter wereld,

De geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie is geen chronologische aangelegenheid, net zoals onze gesprekken dat niet altijd zijn. We (ik) springen (spring) van de hak op de tak en volgen onze eigen logica. Daarom nu niet eerst de schrijvers van ridderverhalen, Hadewych, Anthonis de Roovere, Bredero en hoe ze verder allemaal mogen heten. Die komen nog wel aan bod, maar we zetten ze even in een zijkamer.
      Voor deze ‘methode’, die er geen is, heb ik legitimiteit gevonden bij Rudy Cornets de Groot, de overleden vader van mijn vriend Rutger. Hij schrijft in zijn boek Ladders in de leegte (1981):

Ik ben mijn eigen en enige partijganger, en meer heeft mijn partij ook niet nodig. Ik stroop de open ruimte af, ervoor wakend uitsluitend mijn arme hersens te misbruiken, ervoor zorgend mijn droomleven stevig in de hand te houden. Ik vertik het mijn taak uit het geheel te lichten, integendeel, ik plaats die in de totaliteit die mijn realiteit is, en die o.m. mijn relatie tot deze poëzie, deze dichter en deze en diens wereld bevat. Ik lever een prestatie die aan het bewuste en het onbewuste op democratische wijze het hun toekomende deel laat. Ik kan iedereen de rotzooi-maar-aan-methode dan ook van harte aanbevelen. Want daar is immers een voortdurend ómdenken, nieuw ontdekken, een denken als een persoonlijke gebeurtenis. Ik ga liefdevol om met poëzie, – ik zit niet ‘objectief’ tegen een ‘tekst’ aan te hikken, dat is alvast een belangrijk verschil. Bij mijn methode is, evenals bij Lucebert, sprake van een bezig zijn, dat denkend zich voltrekt, en een denken, dat begint bij het doen. Een denken dat tot denken opvoedt, dat de creatie van nieuwe, andere samenhangen mogelijk maakt.
Daarom: ruim achthonderd jaar nadat de anonieme kopiist van ‘Hebban’ iets in de marge van een manuscript krabbelde, publiceerde Anneke Brassinga dit ‘Liefdeslied’, waar ik ongeveer een week geleden opnieuw achter bleef hangen, toen ik een door mij in 2006 samengestelde bloemlezing doornam.
      Ik herinner me dat nog goed, dat bloemlezen, een werk dat ik schromelijk had onderschat (‘dat doe ik wel even’) en waar ik niettemin de beste herinnering aan bewaar. Dat komt onder meer door dit gedicht. Ik kende het voordat ik het koos voor mijn bloemlezing niet, en na dat jaar heeft het me nooit meer losgelaten.
      In een dennenbos kun je heel veel nesten bouwen. Nesten in een wenkbrauw: zelden las ik een lijfelijker en mooier beeld. Ik kan het me allemaal precies voorstellen, de dichteres, tot over haar oren verliefd, lopend naast precies die man op wie ze stapelverliefd is, een kettingreactie van lijfelijke beelden die haar overvalt, overweldigt, weerloos maakt.
      Hier moet ik natuurlijk, als ik kies voor precies lezen, aantekenen dat het om een vader en een dochter zou kunnen gaan. De dochter wandelt met de door haar beminde vader, ze zijn op weg. We weten niet waarheen, maar dat de dochter van hem houdt, staat vast. Ik weet niet waarom ik deze optie, die voor de hand ligt, niet kies, maar ik kies hem niet – en lees dit gedicht als liefdeslied. Misschien gaat dat binnen nu en een paar jaar over, en verandert het voor mijn gevoel in een vader-dochter-vers; we zullen zien.
      De man, een wonder van de natuur zou je kunnen zeggen, een mens, een dier, een plant en een boom tegelijk, is vertrouwenwekkend (‘ik heb hem lief, ik ben zijn kind’) en vreemd tegelijk, want hij valt uit elkaar in een regen van rozen, een veld vol brandnetels, een zwerm vlinders, hij wordt steeds fragmentarischer en, wellicht, onkenbaarder. Verliefdheid is mooi, maar de angst voor het verlies en voor de versnippering of versplintering zit er al ingebakken. Dat laatste is mijn interpretatie, want je zou ook kunnen zeggen dat ze de man bezingt zoals er in het Hooglied wordt gezongen, ze zoekt vergelijkingen om de eigenschappen die hij voor haar heeft te beschrijven.
      De meeste liefdesgedichten gaan over een verloren of hopeloze liefde, over liefde die in ‘achterklap en jaloezie’ (Jean Pierre Rawie) zijn vastgelopen. Brassinga schrijft als een van de weinige dichters die ik ken over het mooie gevoel dat (prille) verliefdheid is, een volledig onderuitgaan, met een storm aan beelden.
      Want niet alleen de man valt uit elkaar of transformeert, de dichter pakt in dit gedicht uit, ze gebruikt de taal om hem, als haar instrument, tot klinken te brengen, en in de slotstrofe komt ze beelden en interpunctie tekort om te schrijven wat ze wilde schrijven. Het wordt haar niet alleen te veel, het is te veel. Dat schrijft ze op, en waarschijnlijk is het daarom ook goed.

Ik herinner me onze eerste wandeling, die geen wandeling was. We waren samen in een café in Utrecht geweest en jij moest terug naar je eigen stad. Via de Oudegracht, de Lange Viestraat en Vredenburg liepen we naar het station.
      Buiten greep ik naar je hand, een gebaar dat je beantwoordde. Je zei dat ik droge handen had, maar liet niet los. Daarom liepen we, hand in hand, door het nachtelijke Utrecht, en ik kan zonder overdrijving zeggen dat ik nog nooit zo gelukkig, als een verliefde vogel die naast zijn vogelmevrouw voortschrijdt, door Utrecht heb gelopen.
      Het was een vorm van trots die me overviel; daar loop ik, met de bezitster van het mooiste sleutelbeen ter wereld, en zij? Ze houdt me vast, ze laat me tot ze in de trein moet stappen niet meer los.
      Tegelijkertijd snap ik Brassinga’s gedicht na die wandeling veel beter. Je was, voor mijn gevoel, voortdurend in beweging, alles aan je lichaam was een wirwar van licht en duikvlucht, er vonkten sterren omheen, je kon elk moment veranderen in een grasveld of in een bos waarin je alleen maar wilt verdwalen of in een spreeuwenwolk die soms boven de kade waaraan ik woon hangt.
      Het woord is vlees geworden, schreef de evangelist Johannes, maar in dit geval was jouw lichaam, net als dat lichaam van de man met wie Brassinga wandelt, tot natuurverschijnsel getransformeerd. Ik liep ernaast en wist niet wat me overkwam. Je lichaam was te veel, ook al is het niet heel groot, in centimeters gemeten.

In 2005 gebeurde er een kleine ramp. Anneke Brassinga publiceerde bij De Bezige Bij een grote overzichtsbundel van haar werk, onder de titel Wachtwoorden: verzamelde, herziene gedichten 1987-2003. Daarin is ‘Liefdeslied’ opgenomen, in een geamputeerde versie:
Als hij lacht, dwarrelt het rozen,
zijn wenkbrauw is een dennenbos
of brandnetels, wuivend in de wind.
Als hij lacht, dwerelt het rozen,
ik heb hem lief, ik ben zijn kind.

Zijn oor een vat van fluistering,
het fluistert er vol lover
en honinggeur hangt in zijn haar,
ik aai zijn korenaar.
De wereld, als hij lacht, vol rozen.
Het gedicht is ineens ‘af’. Het vrolijke ritme dat in de eerste versie zit, is verdwenen. Brassinga heeft het woord ‘dwerelt’ toegevoegd, een daad waar ooit eens iemand op zal afstuderen (‘Semantische verschuiving bij Brassinga’), zonder te vermelden dat dit interessantdoenerij in het kwadraat is. De dichteres heeft haar eigen gedicht onherstelbaar verbeterd, al moet ik zeggen dat ik de tiende regel echt heel mooi vind, in deze versie.
      Ik vraag me af of meer dichters dat hebben, de neiging om een gedicht van vroeger, een gedicht dat vonkte en knetterde, met de bezonkenheid van het poëtische meesterschap tegemoet te treden en het aan te passen. Ik vraag me ook af of dit niet verboden zou moeten worden. Het is terrorisme tegen eigen werk.
      En ik weet wel, dat de nieuwe versie dichter bij het rondeel komt, de dichtvorm die ze hier wil bedrijven. Maar ik heb altijd een hekel gehad aan dat soort formaliteiten, net zoals ik een hekel heb aan dichters die fetisjisme met de taal bedrijven zonder er heel goed bij na te denken, bijna als een daad van poëtisch-correct handelen.
      Daarom zal ik het in de volgende brief trouwens hebben over een rondeel van Anthonis de Roovere, en over een gedicht van H.H. ter Balkt. Een beetje tegenspraak is me niet vreemd.

Maar jij? Hoe is het ondertussen met jou?
      Je loopt altijd naast me. Je hand in mijn hand. Ik zal handcrème gaan gebruiken. Dan raspt mijn huid niet over jouw zachte huid. We lopen langs de Oudegracht. Aan de overkant bioscoop Rembrandt, helemaal verlicht. De lampjes weerspiegelen in het water, een zwerm vuurvliegjes.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.

zondag 6 december 2015

Voor de verre prinses 1: Hebban olla uogala nestas hagunnan

• De komende twee weken leest u hier dagelijks een aflevering van Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.

Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.

• Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.


Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) (a)nda thu uuat unbidan uue nu

De oudste dichtregel in het Nederlands, in 1932 ontdekt in een manuscript dat in Engeland werd bestudeerd. De tekst is waarschijnlijk geschreven door een West-Vlaamse kopiist(e), in het derde kwart van de elfde eeuw. De betekenis is, vrij vertaald: ‘Alle vogels zijn nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten wij nu op?’


Lieve Blooskoningin,

Ooit kroop ik uit mijn eigen ei, zoals deze regel uit zijn manuscript kroop toen hij werd ontdekt. Wat een verrassend levende regel! Dat de Nederlandstalige poëzie juist hiermee begint, is een wonder van poetic justice. Hoe de schrijver ervan een en ander ook bedoelde, de woorden staan daar voor de eeuwigheid op wacht, geschreven door een anonieme kopiist, in de marge overgeleverd, weerloos en zelfbewust tegelijk.
      Je vroeg me of ik je wilde schrijven over mijn lievelingsgedichten in het Nederlands. Mijn eerste gedachte na die vraag was: Kom, ik schrijf een boek. Als ik iets wil schrijven, moet ik het eerst in een boek vertalen en dan kan ik het daarna pas daadwerkelijk schrijven, wat niet wil zeggen dat al die teksten een boek worden, maar ik wil het, speciaal voor jou, wel een beetje groots aanpakken.

Miljarden jaren was er geen Nederlandstalige poëzie, sterker: er was helemaal niets. Of er was heel erg weinig. Er was een aanwezig niets.
      En toen brak het derde kwart van de elfde eeuw aan, en een monnik of non, wiens of wier werk het was om boeken over te schrijven, probeerde de net geslepen pen eens uit. En schreef dit op. Een losse regel die niet in het geheel van het manuscript werd opgenomen, omdat hij er niet in thuis hoorde.
      De persoon die dit opschreef wist dat en hield de tekst erbuiten, en daarom werd die pas in de jaren dertig van de vorige eeuw voorgoed ontdekt, bijna achthonderd jaar later, wat evolutionair gezien een korte tijd is. Een knipoog.
      Daarna zou het nog een kleine eeuw duren voordat wij elkaar ontmoetten, in een boekhandel natuurlijk, waar gemeenschappelijke vrienden moesten voorlezen, en ik zou heel graag precies willen weten waar ons eerste gesprek over is gegaan. Maar ik weet het niet meer. We spraken over boeken (Robert Walser? W.F. Hermans?) en ik herinner me dat ik naar je werk informeerde.
      Eerder, voordat ons eerste gesprek begon, zag ik je binnenkomen. Je was te laat. Ik wist toen nog niet dat je altijd te laat bent, voor iemand als ik (die altijd te vroeg is, op het hysterische af) een bijna adembenemende eigenschap.
      Je stapte binnen en ik weet nog dat ik dacht: ‘Daar is ze dan.’ Ik voelde meteen de neiging om allerlei takken te verzamelen, takken die ik zou samenvoegen tot een nest, een nest waarin we dan, als twee verliefde grutto’s, naast elkaar zouden gaan zitten.
      Wie je precies was, dat wist ik natuurlijk nog niet - daarvoor moest ik het einde van de lezing afwachten, waarna het me nog een half uur kostte om me, onopvallend maar vasthoudend, in je gezelschap te manoeuvreren. Je stond erg lang te praten met twee vrouwen die ik met negatieve gedachten uit de winkel probeerde te branden, en uiteindelijk is me dat gelukt.

Tussen de poëzie en mij was het ook liefde op het eerste gezicht. Alleen heb ik me bij de poëzie nooit hoeven afvragen wat zij van mij vond. Ik raakte verliefd via een gedicht van A. Roland Holst en ben daarna nooit meer weggegaan. Altijd, dag in dag uit, lees ik gedichten. Soms irriteert de poëzie me, soms denk ik dat ik het nu wel weet, maar er is nooit een moment geweest waarop ik de poëzie helemaal heb losgelaten.
      Ik leef met gedichten. Het klinkt een beetje overdreven, maar het is zo. Gebeurtenissen die ik meemaak, koppel ik aan gedichten. Sommige dingen die ik meemaak kan ik pas begrijpen als ik het bijpassende gedicht heb gevonden. Ik schrijf zelf gedichten, maar toch ben ik eerder een lezer dan een schrijver. Elk gedicht dat ik lees, stoot een ander, eerder gelezen gedicht aan, en veroorzaakt een kettingreactie van weer andere gedichten, zoals dominostenen allemaal omvallen als je ze in een rij zet en de eerste steen omgooit tegen de tweede.
      De poëzie heeft me uitgenodigd om mijn eigen nest te maken, ergens in een van die bomen die het grote poëziebos groot is; ik heb dat gedaan en hoewel ik jarenlang dacht dat ik daarmee een voor veel mensen interessante uitkijkpost had betrokken, bleek dat ik vooral een nest voor mezelf had gemaakt.
      Poëzie is niet zozeer marginaal omdat er maar weinig mensen zijn die bundels kopen, poëzie is marginaal omdat zij van de lezer verwacht dat die de taal zoals hij die kent, loslaat.
      Terwijl het, als je het goed bekijkt, heel eenvoudig is. Poëzie begint altijd met een paar woorden die zich ineens in een bepaald verband schikken en je uitnodigen. Kom maar.
      Kijk, er zijn allemaal woordcombinaties hier, bekijk maar welke je het beste bevallen. Lees.
      Het is niet moeilijk om te lezen, de woorden betekenen, ook al lijkt dat soms niet zo, precies wat ze betekenen, en meer niet, en tegelijkertijd betekenen ze nooit wat ze lijken te betekenen.
      Het is niet moeilijk om een gedicht te begrijpen, ook al is het soms het moeilijkste wat er is.
      Je hoeft er maar een ding voor te doen. Lees wat er staat en laat er vervolgens je eigen capaciteiten als lezer op los. Die capaciteiten worden steeds groter. Ze groeien met je mee, zonder je in de weg te zitten. En op een bepaald moment merk je dat de gedichten waar je van houdt bij je horen; je hebt er betekenis aan gegeven en ze zijn onderdeel van je lichaam geworden, sterker, ze zijn je lichaam geworden.

Het lezen van een gedicht, lieve Blooskoningin, is als een ontmoeting. Als een ontmoeting met, bijvoorbeeld, jou. Een ontmoeting waar je geen enkele verwachting aan mag hechten.
      Het gedicht bestaat alleen maar op zichzelf, los van mij of welke andere lezer. Het is er en als je het leest, kun je het alleen maar lezen. Heb je dat eenmaal gedaan, dan stapelen de betekenissen, de projecties en de hineininterpretierungen zich op. Maar daar kan het gedicht zelf niks aan doen. Dat heeft me alleen maar uitgenodigd om een nest te bouwen, wat ik vervolgens deed.
      Maar dat nest bouwen wij dus niet. Nog niet, nu niet, nooit niet; wie zal het zeggen?
      Net zoals de poëzie leerde ik je op een totaal onverwacht moment kennen. Het gedicht dat me tot de poëzie bekeerde, las ik in de bus van Weert naar Leveroy, van school op weg naar huis. Jou zag ik in een boekhandel, waar ik een gewone literaire avond dacht te beleven. De poëzie en jou kan ik zonder verwachting tegemoet treden, en juist daarom zijn jullie me allebei zo lief.
      Hans Faverey schreef in het laatste bij leven gepubliceerde gedicht, het volgende:
Zonder begeerte, zonder hoop
op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de meedogenloze schoonheid

te fixeren waarin de leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.

Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.
Dat houdt er verband mee, met die beginregel van de Nederlandstalige poëzie. En met ons. De dichter uit de elfde eeuw nodigde ons uit om een nest te bouwen. Nu, na Faverey, is dat niet meer zo gemakkelijk. We moeten ons voortdurend bewust zijn van de positie die we innemen, van de woorden die we gaan zeggen - en van de volgorde die die woorden innemen.
      We moeten ons uit kunnen spreken, voordat we dood neervallen; en we moeten ons zo uitspreken dat we elkaar via onze woorden bereiken. Althans, ik moet jou zo toespreken, dat je me begrijpt, en ik hoop dat je terugspreekt. Nu het nog kan.
      En dat het kan, dat staat wel vast. Anders waren er sinds ‘Hebban’ niet zoveel woorden, loos én vol betekenis, uitgesproken.






donderdag 3 december 2015

S. Bonn -- Ghettosjabbes

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* dbnl
* gedichten
* npe
* pdf bundel Jonge mei
* woordenlijstje onderaan








Ghettosjabbes

Toen wij wakker werden
    was 't sjabbes,
er lag zon in de kamer
en 'n wit tafelkleed
lag als 'n sneeuwkleed
over 'n land, zoo wit;
en de stilte in het straatje
was zelve als muziek.

En toen de middag kwam
straalde de zon nog,
en als in poldertuin
veelkleurig de bloemen staan,
stonden de vrouwen
    en jelodiem
aan de deuren;
de mannen gingen ter
Minneche, met tragen stap.

En na nachtlainen
stond voor mijn venster
de maan heel licht:
ik dacht dat het
de zon was:
er was vrede overal en stilte
en beneden zei 'n kinderstem
‘Hamaloch Hagoueil.’


S. Bonn (1881-1930)
uit: Gewijde liederen (1926)




sjabbes = sabbath
jelodiem = kinderen
Minneche = namiddaggebed
nachtlainen = laatste Toralezing van de sabbat, bij zonsondergang
Hamaloch Hagoueil = titel slaapliedje over een beschermengel


• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

woensdag 2 december 2015

Peter Drehmanns -- Buiklanding

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* website
* marmer
* interview (video)
* youtubekanaal


foto: Hadewych Veys






Buiklanding

Onderweg naar waar je zijn moest
zaten de veters der voorbijgangers
in de knoop, in de consternatie
bevingerde men berichten
op goocheldoosjes, de trein reed
door zwarte gaten, door het gelach
van de buitenwereld, de huizen gleden
onderuit, doortrapfietsen waren
aan het dolen – er kwam een man
van service en veiligheid, van handhaving en vooruitgang
die zei wij vragen uw waakzaamheid, vanaf Geldermalsen
rijden er wellicht weer treinen
het meisje tegenover mij duimde zich vooruit
op de digitale achtbaan en het treinraampje trok bekken
tegen de avond en ik keek op mijn horloge en stelde
vast dat ik dol draaide waarop werd uitgebazuind
vanwege geplande werkzaamheden is dit de eindbestemming


Peter Drehmanns (1960)
uit: Grafleggingen (2015)







• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

dinsdag 1 december 2015

Dr. V. te Z. -- 2 gedichten

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* Dr. V. te Z. = Dr. Vitringa te Zwolle
* afgebrand door Herman van den Bergh





Een God was uitgedacht, God was “het hoogste denken”,
de Staat was hoogste macht, zij was het zedelijk Al,
Staatsburger-zijn gold als de hoogste plichtbetrachting;
het menschdom martelaar van militaire macht.

En wat dan volgt waag ik niet waan van wee te heeten,
en ik mis de moed het te schilderen met mijn passé kracht;
doch ik wensch dat het menschloos strijden met zijn grensloos lijden
ras vluchte als duistere nacht voor luistere morgenpracht.



O, Muse!
huw ze
en kluwen ze nu samen.

Stuw
zee, die uit ’t hart welt
in schelpjes, die ’t brein telt.

Luw heilloos hijgen naar enkel bekoren;
stier fiere sier.

Rem het ruw duwen van ’t eigen naar voren;
tem te hoog stijgen.

Stem lichter mijn lier.



Dr. V. te Z. (?-?)
uit: Winterzang (1917)







• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster