dinsdag 17 juli 2018

Ingmar Heytze & Catharina Blaauwendraad

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =



Catharina Blaauwendraad
Ingmar Heytze


• Zo’n 70 jaar geleden schreef C. Buddingh’ zijn eerste gorgelrijm, 'De blauwbilgorgel’. Ter gelegenheid van zijn 100ste verjaardag verscheen bij uitgeverij Liverse een verzamelbundel, met daarin gorgelrijmen van een kleine veertig dichters. Hieronder twee gedichten daaruit, van Catharina Blaauwendraad en Ingmar Heytze. Plus de originele ‘Blauwbilgorgel’.





De grijsgevlekte workeldiertjes

De grijsgevlekte workeldiertjes
komen verdrietig uit het ei.
Ze kruipen naar hun zavekiertjes
en zorken daar neerslachtig bij.

Ze zijn nog jong maar weten wis en
waarachtig welke domp hun wacht:
Ze horen reeds het noodlot sissen
als gavelslangen in de nacht.

Te huiverig om hard te huilen
versnalken zij daar in hun hoek

en weten: in een zavekiertje
ontvangt men nimmer blij bezoek.


Catharina Blaauwendraad (1965)


*


Grammelalmanak

Mijn zolder heeft een muffe hoek
waar strint en gruifdier woekeren.
Daar ligt mijn grammelalmanak.
Ik mag er graag in koekeren.

Geen dag is zonder ongeluk,
maar in mijn grammelalmanak
staat alle grammel die ik zoek.
Dat maakt het leven daarglijk.

De plaatjes sla ik over, want
daar lig ik meestal wakker van
en dat is onbehaaglijk;

koop liever,l als het even kan,
de niet-geïllustreerde druk.
Raban! Raban! Raban!


Ingmar Heytze (1970)


*


De blauwbilgorgel

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind'ren van.
Raban! Raban! Raban!

Ik ben een blauwbilgorgel
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
Rabijst! Rabijst! Rabijst!

Ik ben een blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
Rabon! Rabon! Rabon!

Ik ben een blauwbilgorgel
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
Ga heen! Ga heen! Ga heen!


C. Buddingh' (1918-1985)




• Leest allemaal de Onze Taal. Of Zone 5300.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

maandag 16 juli 2018

K.L. Poll -- Vreemd voorwerp & In Zweden

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

wikipedia
wat gedichten
dbnl









Vreemd voorwerp

Ik heb een diamant gevonden.
Geen priester weet het nog.
In Londen zei een juwelier:
wij hebben lenzen, geef maar hier;
ik dacht het wel, gezichtsbedrog.
Gewoon kristal. 't Is zonde.

Ik heb een diamant gevonden
bij een vulkaan in hoog gebergte.
In Leiden zei een geoloog:
ik geloof niet in mijn blote oog,
maar vrees voor u het ergste:
de vlakken zijn geschonden.

Ik heb een diamant gevonden
in het gras langs de beek.
In Limburg zei een boer: helaas,
het kinderoog is u de baas;
wij zien ze nooit in deze streek
waar vroeger zwijnen stonden.

Ik heb een diamant gevonden
met zevenduizend kleuren.
In Lemmer zei mijn metgezel:
ik zeker niet en jij weer wel,
dat laat ik niet gebeuren.
Zij sloeg. Ik lik mijn wonden.

Ik heb een diamant gevonden,
als een gezwel zo groot.
Een leugen, zei de specialist,
ik geloof dat u de pointe mist:
die lichte steen hoort bij de dood
en wij bij de gezonden.


*


In Zweden

1
Een meisjesstudent in Lund
stoot haar glas om.
De anderen praten door
alsof zij de gek in de familie
uit beleefdheid niet opmerken.

2
Ragnar Josephson dwaalt
hulpeloos levend
door verlaten zalen
van zijn museum voor ontstaande kunst.
Hij schrijft een opdracht in zijn boek met ezelsoren,
kan niet vinden wat hij zoekt,
bedankt de bezoeker
en ruikt naar een veilige dode oom.

3
Mij is verteld:
in het noorden van Zweden
denken de mensen alle dagen
zwijgend aan niets.


K.L. Poll (1927-1990)




• Leest allemaal de Onze Taal. Of Zone 5300.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

zondag 15 juli 2018

Delphine Lecompte -- Vreemde vogelsonnet

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

interview
npe
enkele gedichten
youtube
poetry







•• In zijn sonnettenproject op Neerlandistiek.nl behandelt Marc van Oostendorp de ontwikkeling van de Nederlandse taal aan de hand van 196 (14x14) sonnetten. De laatste reeks van veertien is op speciaal verzoek door veertien dichteressen geschreven. Vandaag en de komende dertien maandagen kunt u steeds een van die sonnetten lezen in de Coster-mailing, inclusief beschouwing. Het tweede sonnet is van Delphine Lecompte. Het eerste was van Lieke Marsman.




Vreemde vogelsonnet

‘Kirrende makelaar gedraag je!’ Zeg ik streng in een cinemazaal
Er zit helaas niemand naast me, zelfs mijn moeder is blozend weggegaan
Ik geeuw en vraag me af of ik ooit een okapi zal aanraken
De film gaat over een Noorse scheephersteller en een tragische koorddanseres.

Op een brug wordt de koorddanseres gered, maar dan zit ik al op een terras
‘Frunnikende imker, beheers je!’ Sis ik ongeremd en luid
Een pelsjager met een bochel lacht me uit, zijn wreedheid deert me
Nog te vaak laat ik me ontmoedigen door boertige ploerten.

Ik zal dan maar verslagen zijn en huiswaarts keren
Daar kan ik tenminste boterhammen voor onbestaande narren smeren
En een grote vriendelijke diepvrieskreeft in mijn vulva introduceren.

Gelukkig kom ik de oude kruisboogschutter tegen, gelukkig heeft hij een paleis
Gelukkig stopt hij makrelen in mijn mond, gelukkig stopt hij als ik stop zeg
Gelukkig ben ik dapper genoeg om hem zijn Blauwbaardverleden te vergeven.


Delphine Lecompte (1978)


Over sommige dingen blijkt nog steeds nauwelijks geschreven te zijn. Delphine Lecomptes Vreemde vogelsonnet kun je lezen als een gedicht over een thema waarover nog maar weinig gedichten geschreven zijn: angst voor mannen. Het moet toch minstens even reëel zijn als de angst voor vrouwen, en je zou als je willekeurig welke cijfers over seksueel geweld bekijkt zelfs zeggen: reëler.

Toch is de vagina dentata een klassiek figuur in de Nederlandse letteren en de grote vriendelijke diepvrieskreeft niet. Gerrit Komrij schreef ooit een gedicht dat bijna een zustergedicht van het vreemde vogelsonnet is:
Du musst verstehn

Als kind vond je een puntenslijper ’t fijnst.
Ze waren ingebouwd onder in een poesje
Of zo. Dat vond je niet zo gauw.
Er zat een inktlap aan. Die moest je

Helpen als je vlekken had gemaakt.
Van kindsbeen af heb je ’n beeld behouden,
Dat, toen je eens verloren was geraakt
In een wild bos, een vrouw, wat ouder,

(Het kon een heks zijn) zo een van binnen
Ingebouwde slijper aan je gaf.
En zei: Van nu af aan zijn we vriendinnen.
En zei: Het zijn de dingen van je graf.

Gerrit Komrij
De parallellen tussen de twee gedichten – het feit dat er aan het eind een ontmoeting is met een oude vrouw of een oude man, die vriendelijk doet en misschien kwaad wil, het feit dat aan het eind wordt verwezen naar het graf of de kamer van Blauwbaard – zijn vermoedelijk toeval, maar ze springen in het oog. Misschien zeggen die parallellen iets over de structuur van de angst.

Lecompte staat bekend als een dichteres van breed uitwaaierende gedichten. Het sonnet is een vorm van beperkingen maar dit is een breed uitwaaierend sonnet, al is het voor Lecomptes doen enorm ingesnoerd. Er is geen metrum, er is niet overal rijm, de regels zijn eerder zinnen dan regels, maar er zijn heel veel klankeffecten en er is heel veel syntactische parallellie tussen de regels. Dat maakt het, vind ik, heel sterk.

Zoals veel van Lecomptes gedichten klinkt dit sonnet op het eerste gezicht vooral absurdistisch: de lange regels die rijmen op keren, smeren en introduceren zouden bijna door De Schoolmeester geschreven kunnen zijn, maar is het inhoudelijk eerder een nachtmerrie, waarin de ik praat tegen allerlei vreemde mannen zonder naam die ook uiteindelijk niet in de bioscoop blijken te zijn, de ik is eenzaam, zelfs haar moeder is weggelopen, en de ik heeft zich eigenlijk niet onder controle, en ze wordt de hele tijd belaagd. Door al dan niet reële mannen.

Er komen afgezien van de boertige ploerten en niet bestaande narren, vijf mannen in het gedicht voor en twee vrouwen: een moeder die ‘blozend’ is weggegaan, en een ‘tragische koorddanseres’ die ‘gered’ wordt, maar wel als de ik al op een terras zit. Van vrouwelijke solidariteit is weinig te merken.

Het is een nachtmerrie in veertien regels – het soort boze droom waaruit je ontwaakt, bijvoorbeeld in de nabijheid van ‘de oude boogschutter’, een terugkerende figuur in Lecomptes werk, en het echte leven ondanks de makreel even onheilspellend blijkt als de enge droom.

• Marc van Oostendorp







• Leest allemaal de Onze Taal. Of Zone 5300.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

Abonneren


Het cv van het Laurens jz. Coster-project.

• Abonnee worden van de dagelijkse Coster-gedichten kan hier. Of stuur een mail naar eon@planet.nl

J.W.F. Werumeus Buning -- Ballade van den boer

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

wikipedia
dbnl
schrijversinfo
bwn








Ballade van den boer

Er stonden drie kruisen op Golgotha,
Maar de boer hij ploegde voort.
Magdalena, Maria, Veronica,
Maar de boer hij ploegde voort,
En toen zijn akker ten einde was,
Toen keerde de boer den ploeg
En hij knielde naast zijn ploeg in het gras,
En de boer, hij werd verhoord.

Zo menigeen had een schonen droom,
Maar de boer hij ploegde voort.
Thermopylae, Troja, Salamis,
Maar de boer hij ploegde voort.
Het jonge graan werd altijd groen,
De sterren altijd licht,
Gods woord streed in de wereld voort
En de boer heeft het gehoord.

Men heeft den boer zijn hof verbrand,
Zijn vrouw en os vermoord;
Dan spande de boer zichzelf voor den ploeg,
Maar de boer hij ploegde voort.
Napoleon ging de Alpen op
En hij zag den boer aan 't werk,
Hij ging voor Sint-Helena aan boord
En de boer hij ploegde voort.

En wie is er beter dan een boer,
Die van de wereld hoort,
En hij ploegt niet, wat er al geschiedt
Op dezen akker voort.
Zo menigeen lei den ploegstaart om,
En deed het werk niet voort,
Maar de leeuwerik zong hetzelfde lied,
En de boer hij ploegde voort.

Heer God! De boer lag in het gras,
Toen droomde hij dezen droom:
Dat er eindelijk een rustdag was
Naar apostel Johannes' woord.
En de kwaden gingen hem links voorbij
En de goeden rechts voorbij,
Maar de boer had zijn naam nog niet gehoord
En de boer hij ploegde voort.
Eerst toen de boer dien hemel zag
Zo vol van lichten schijn,
Toen spande hij zijn ploegpaard af,
En hij veegde het zweet van zijn voorhoofd af,
En hij knielde naast zijn stilstaand paard,
En hij wachtte op Gods woord.

Een stem sprak tot aarde, hemel en zee
En de boer heeft haar gehoord:
- ‘Terwille van den boer die ploegt
Besta de wereld voort!’


J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
uit: Negen balladen (1935)




• Leest allemaal de Onze Taal. Of Zone 5300.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

zaterdag 14 juli 2018

Jan H. de Groot -- De ballade der vierduizend Friezen

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

biografie
dbnl
schrijversinfo
christelijke encyclopedie









De ballade der vierduizend Friezen

Vierduizend friezen stonden aan den Rijn
tegen honderdduizend Fransozen.
En het aantal, dat er nog meer moest zijn,
ging wel vijfmaal dat der Friezen te boven.

Vierduizend Friezen wachtten aan de Rijn
onder bevel van drie Hollandsche luiten.
zij lagen bij Lobith onder een Hollandsch kapitein
om den opmars der Franschen te stuiten.

De Fransozen marcheerden op aan den Rijn
want Wezel was al gevallen
en Holland zou gansch verloren zijn,
als bij Lobith niet lagen de wallen.

Als bij Lobith de Friezen niet hielden de wacht,
onder een Hollandsch kaptein en drie luiten,
met ’t bevel van den Prins om de legermacht
der Franschen bij Lobith te stuiten.

Met ’t bevel van den Prins, tot den lesten man
de macht der Fransozen te stuiten.
En vierduizend Friezen zijn nimmer bang
onder een Hollands kapitein en drie luiten.

Want vrijheid, dat is zulk een kostbaar goed
en dat wordt maar zoo zelden gevonden,
daarvoor geven Friezen hun hartebloed
met een lach op hun stugge monden.

Vierduizend friezen stonden aan den Rijn,
tegen honderdduizend Fransozen.
En het aantal, dat er nog meer moesten zijn
ging wel vijfmaal dat der Friezen te boven.

Jan Petersen was een valsche boer,
die heeft aan de Franschen verraden
de plek bij de Tol, waar men overvoer
en het water der Rijn kon doorwaden.

Jan Petersen was een valsche boer,
die werd door de Friezen gevangen.
Jan Petersen werd als Jan Toereloer
aan den hoogsten boom opgehangen.

Toen trokken de Franschen het water in.
Hun koning stond op de kade.
Hij sloeg van den wal het tochtbegin
van zijn machtige legers gade.

En naast hem keken zijn maarschalken toe.
Condé, Luxembourg en Turenne,
die zagen met angst in hun lijven hoe
de Franschman aan water moest wennen.

En aan vuur, want Friezen mogen er zijn.
En een Hollandsch kaptein weet van wanten.
Hoeveel Franschen vielen daar aan den Rijn?
Hoeveel bloed vloeide daar van de kanten?

Hoveel eed'len verloren den grond in den Rijn?
En hun trots en hun lief en hun leven?
Maar van vierduizend Friezen onder 'n Hollandsch kaptein
zijn er veel in dien strijd gebleven.

Want vierduizend Friezen onder 'n Hollandsch kaptein
hadden 't bevel van Oranje gekregen:
Gij houdt bij het Lobither Tolhuis ter Rijn
den Fransoos, tot den lesten man, tegen.

Van de morgenzon tot het avondrood
hebben vierduizend Friezen gestreden.
Het water bij lobith was purperrood.
Zoo hebben de Fransen geleden.

En maarschalk Condé kreeg een schot in zijn arm,
Hij kon 't 'En Avant' niet meer geven.
Hij heeft met het Hollandsche lood in zijn arm,
op den rand van den dood gelegen.

Van de avondzon tot het morgenrood
viel bij Lobith een kogelregen.
En vierduizend Friezen bevochten den dood,
tot de leste Fries was gebleven.

Want vierduizend Friezen en een Hollandsch kapitein
hadden 't bevel van Oranje gekregen:
Gij houdt voor de vrijheid van ’t land aan den Rijn
de Fransoos, tot den lesten man, tegen.


Jan H. de Groot (1901-1990)




• Leest allemaal de Onze Taal. Of Zone 5300.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

vrijdag 13 juli 2018

H.A. Gomperts -- twee gedichten

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

dbnl
libertinage
wikipedia
meander klassiekers
in memoriam
nog een gedicht








Laat ons op de lenteheuvel
onder manen, Mardemiël,
die soms drijven en soms stranden
op ons wolkenzacht gekeuvel,
- en je hoofd in deze handen -
spelen ons mysterie-spel.

Nu de meidoorn staat te bloeien
en de avond is zo groot,
nu wij zacht elkander kussen,
gaan ginds: honden, paarden, koeien,
hier: de dieren, die zijn tussen
ons en onze heuvel, dood.

En straks slapen op de helling,
samen op de bloemenbaar,
om verlost van alle woorden
en hun traag verfijnde kwelling
weer bereid te zijn tot moorden,
in de eerste plaats: elkaar.

Laat ons op de lenteheuvel
onder wolken, Mardemiël,
die met maanverlichte randen
drijven boven ons gekeuvel,
met de dood in onze handen
strelen zacht elkanders vel.)


*


Côte d’Azur

Onder een hemel van damast
tussen zwanen en dolfijnen
op een blauw-satijnen kleed
komt de wind zich presenteren.
Het is goed in zee te zwemmen,
want de zee heeft zachte handen,
in een bad van schuimballonnen,
duizend druppels, duizend zonnen.
Op de planken en de stenen
van het grint en sintelstrand
dansen klossen en sandalen,
splinters, stokken, kreeften, torren,
zilte krekels en kadavers.

Langs de plinten van de hemel
liggen met opalen ogen
zevenduizend zeemeerminnen
in een krans om alle zeeën
en van transen en trapezen
kijken dwergen en konijnen,
kattenkrengen, kolenkitten
op het zomers zoete neer.

Zwaluwen en zevelingen
zijn gezanten van de zee
en zij lijden in de wouden,
in de parken van platanen,
langs de zomen van de heuvels
aan de gasten, mensebeesten,
als een onderhuidse jeuk.


H.A. Gomperts (1915-1998)
uit: Dingtaal (1947)




• Leest allemaal de Onze Taal. Of Zone 5300.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster