dinsdag 15 december 2015

Voor de verre prinses 11: Marleen de Crée -- Roses and roses

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* schrijversgewijs
* mini-interview
* npe
* leestafel
* videogedicht







• Vandaag de elfde aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Roses and Roses

rosa blanda, rosa gallica en angelita.
rosa alba, rosa tomentosa, yesterday.
lady of the dawn, mademoiselle de dinant.
bel ange, alex red, rosa involuta.

uit elke rozenbrand, souvenir de malmaison,
rosa filipes, tapis volant, veilchenblau.
mermaid, moonlight, perdita, mrs. flight,
pleine de grace, rose chou, oeillet flamand.

rosa centifolia, rosa damascena,
old pinc moss, reine d’anjou, belle isis,
rose duchesse d’angoulême, pimpinelli, charm of may.

pink grootendorst, rush, honorine de brabant,
königin von dänemark, scharlachglut,
cuisse de nymphe, frühlingsgold, sommerblut.

Marleen de Crée (1941)
uit: Tussen boog en snaar (2012)


Allermooist Herfstblad,

De gedichten van De Crée zijn vaak gebouwd als opsommingen, net als die van Folgore da San Gimignano via P.A. de Génestet, Gerrit Komrij en Menno Wigman, met Arjen Duinker als echte meester-opsommer. Een eerbiedwaardige methode, die de dichter veel speelruimte geeft, maar ook een valkuil is voor de lieverds die het métier niet al te goed beheersen. Een opsomming kán vervelend worden, en vrij snel ook.
      Rozenrassen. Die staan hier bij elkaar gebracht. Maar pas op: de cyclus waarmee dit gedicht opent, heet ‘Rozen en Rozen’. Een opsomming, zeker, én een manier om te zeggen: ‘Je hebt rozen en rozen.’ De ene roos is de andere niet. Of wel? De spreekwoordelijke regel van Gertrude Stein zegt van wél. De Crée voegt daar haar eigen definitie van ‘roses and roses’ aan toe.
      De a-klanken in de eerste strofe geven het geheel iets vols, iets waar Lucebert over schrijft in gedicht ‘XV’ uit de amsterdamse school: ‘van oe en a staat je ruimte / door mijn hijgen verzadigd’. Woorden als ‘blanda’, ‘gallica’, ‘angelita’, ‘alba’ en ‘tomentosa’ botsen en schuren prettig met ‘dinant’ en ‘bel ange’ en vooral met ‘involuta’, de rozen verdringen elkaar in deze strofe, zetten zich in bloei en via hun bladeren schrap, in volle verzadiging.
      Tegen het einde van de tweede strofe komt het noodlot al om de hoek kijken: na de ‘rozenbrand’ en de ‘malmaison’ uit regel 1 en het ‘veilchenblau’ uit regel 2 komt onvermijdelijk ‘perdita’ (regel 3) en uiteindelijk ‘oeillet flamand’. De roos is teruggekeerd op de harde, Vlaamse grond.
      In het sextet hebben de wat wuftere rozen de overhand (‘charm of may’, ‘honorine de brabant’), maar vooral de slotregel spreekt harde rozenwoorden over verlies en ellende: ‘cuisse de nymphe, frühlingsgold, sommerblut.’ Hier wordt gesproken over liefde en verlies, maar ook over die ellendige ‘frühlingsgold’ die er met iemand, of iets, vandoor gaat. Een roos is een roos, maar inderdaad: je hebt rozen én rozen. En rozen.
      Een thema van alle tijden, maar in de opsommende vorm en vermomd als een gedicht over rozen levert het een meer dan verrassend resultaat op. De Crée ‘vermomt’ een al dan niet persoonlijk (of door persoonlijke verhalen opgeroepen) verhaal. Ze doet dat met zo veel in de loop van jaren verworven vakmanschap, want ze debuteerde al in 1969, dat de lezer er alleen maar met bewondering naar kan kijken.
      Want ook dat is het wezen van goede poëzie: die geeft de lezer genoeg te doen, die maakt het lezen niet tot een enkelvoudige aangelegenheid maar biedt lezing na lezing nieuw werk. Leesarbeid, het woord zegt het al, dáár moeten goede gedichten het van hebben. Het is het labora uit ora et labora, het lezen en schrijven van de monnik die de regel ‘Hebban’ uit mijn eerste brief in zijn manuscript wist te smokkelen.
      De dichter moet zich verbergen, om de lezer de gelegenheid te bieden terug te keren naar het gedicht. Dat doet hij, in de beste gevallen, door zich (deels) uit het gedicht terug te trekken, door de taal om te werken, door zelf ook arbeid te verrichten, in een voortdurend terugdeinzen voor clichés en gemakkelijke effecten. Het is als in het gedicht ‘De zwijgzaamheid’ van Gerrit Komrij, die schrijft: ‘Eer zal men kakken in zijn hoed, / Dan dat ik u mijn ziel blootleg / En zeg wat ik thans lijden moet.’

De geschiedenis van de poëzie is een opsomming van namen. Marleen de Crée kende ik niet, voor 2004, maar omdat ik iets over haar bundel Vita Vita schreef, gingen we corresponderen, en in 2012 stelde ik een bloemlezing uit haar werk samen voor uitgeverij P in Leuven: Tussen boog en snaar. De Crée bleek goed bevriend te zijn geweest met Maurice Gilliams en met J.L. de Belder, twee bijna mythologische namen uit de Vlaamse poëzie.
      Gilliams heeft Gaston Burssens gekend en was al vroeg overtuigd van het talent van de jonge Paul van Ostaijen, een leeftijdgenoot die hij bewonderde en die hij zijn meerdere achtte. Van Ostaijen was een groot liefhebber van het werk van Guido Gezelle, en zo zitten we voordat we het weten in het midden van de negentiende eeuw, van waaruit weer andere lijnen lopen, almaar terug, tot alle rederijkerskamers in Antwerpen en Gent en de middeleeuwse dichters van de hoofse liefde. Kijk, daar is de anonieme kopiist of kopiiste weer.
      En uiteindelijk, ooit, zijn alle dichters allemaal die anonieme figuren, vergeten, door de tijd verzwolgen, met een plekje op het digitale kerkhof dat DBNL is. Een straatnaambordje, als ze geluk hebben, of een deeltje in de KB waarin hun leven is samengebracht, voor de eeuwigheid die dan inmiddels voorgoed en inderdaad tot in de eeuwigheid is aangebroken.
      Ik vind dat een troostrijke gedachte. Stel je voor dat je nu al rekening moet houden met de receptie van je werk over een jaar of vijfhonderd. Dat zou pas echt onverdraaglijk zijn. Nu mag je, net als alle mensen, een jaar of wat je best doen, misschien bereik je wat lezers, en dan komt aan het eind de zeis, en verdwijn je grotendeels (op een paar regels na, of een voetnoot in de literatuurgeschiedenis) in dezelfde put als iedereen.
      Als dichter moet je springen. Er zit niets anders op. Je springt de poëziegeschiedenis in, en daarna hoop je er maar het beste van. De Crée zegt dat in een van de gedichten die mij meteen aanspraken, in het eerste gedicht uit de cyclus ‘Water’. Volgens mij is het een goede illustratie bij wat ik wil zeggen. Toevallig komt het water ook weer voorbij:

I

springen. in het water springen en dan
zwemmen. vettig water drinken, geen haar
scheelt het, verdrinken, een vader
aan de kant, alsof hij en ik.

daarna de weelde, zacht bewegen. van
kop tot teen gedragen worden, gewogen
en gewikt, gewikkeld en gewenteld,
onhandig en verlegen. licht op licht.

zon ontsnapt uit lissen aan de rand,
schittert fleurig in de ogen.
legt zich gewillig in mijn natte plooien.

niets dan vreugde in de stroming, op
en neer. water en ik. tot laat, tot ver,
tot eindeloos: het wiegen, het glooien.
Het gedicht wiegt, zoals iemand wiegt die in het water ligt, zwemmend, drijvend of verdrinkend. De taal geeft hier mee, gaat voort op de golfslag van binnenrijm en (klank)associaties. De aarzelende zinnen, als onafgemaakte zwemslagen, geven het geheel, ondanks de vloeiende, zangerige manier van zeggen, iets ‘benauwds’, alsof hier iemand steeds net niet uit zijn of haar woorden komt, ongeveer zoals in klassieke gedicht ‘Een kus in Ter Kameren’ van Jos de Haes.
      Hendrik Carette schreef in een recensie op het werk van De Crée: ‘Haar taal klinkt kraakhelder en krachtig en haar beeldspraak is haarscherp en hard en dus met een strakke pols geschreven. Haar taalmuziek kan beluisterd worden als de wat moeilijke maar mooie vocalises van een dichteres die van de klassieken en het klassieke repertoire (o.m. Rilke en Gilliams) houdt. Het is de taal van een dichteres die niet modieus maar eigenzinnig en eenzaam haar eigen weg gaat.’
      Precies zo is het, en in dit gedicht zit alles waardoor de dichteres De Crée een plek op in elk geval mijn Parnassus heeft. Carette legt de nadruk terecht (mede) op het woord ‘moeilijke’, want het is bij alle muzikaliteit en lichamelijkheid niet zo, dat zij gemakkelijk werk schrijft. Haar gedichten zijn gemakkelijk te lezen en moeten daarna met moeite veroverd worden, waarna blijkt dat ze inderdaad zeer begrijpelijk zijn.
      Liefste. We moeten springen en zwemmen, en dan gaan we ooit, maar dat is pas over minimaal vijftig jaar, ten onder. Tot die tijd leven we, alsof ons eigen leven ervan afhangt, en dat is ook zo.
Een paar weken geleden verscheen Druppelpunt, de nieuwe bundel van De Crée. Daarin staat een mooi gedicht, ‘Balans’. Het is een gedicht vol berusting, maar toch ritselt van strijdlust, en daarom weet het me te troosten. Het bevestigt wat ik je hierboven schreef. We zijn er en we zijn er nu. We blijven.

een schaal met druiven, troostend
gezicht, de prietpraat van de duiven.

tussen de ditjes en de datjes de zwier
van strowissen en van stokjes,
walgelijke stukjes wrakgoed, het gissen,

strandvondst en zeedrift,
drijvend op dikke olie en doodwier, het gelach
in stukken breken, nederlaag, winst,
de dagelijkse slag, het blijven.




Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.   

maandag 14 december 2015

Voor de verre prinses 10: Herman De Coninck -- Water. Soms loopt het rechtdoor

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* dbnl
* wikipedia
* website
* leestafel
* citaten







• Vandaag de tiende aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Water. Soms loopt het rechtdoor
als een ideologie, een vastberaden stoet
van stilte, naar de zee,
de grote internationale
waar alle water zijn overtuiging haalt
(om desnoods dijken te breken).
Soms hangt er nevel over:
dromend water: het droomt dat het zweeft
en dan zweeft het ook. En later, oud geworden,
Trekt het zich terug in een vijver
met een rijk innerlijk leven.
Water, alle schijn draagt het in zich mee
en blijft altijd zichzelf, altijd anders
en altijd water.


Herman De Coninck (1944-1997)
uit: De gedichten (2014)

Adembenemende Ogenvijver,

Toen mijn jongste dochter anderhalf was, stond ze voor het eerst oog in oog met de zee. Ze droeg een wit zonnehoedje, met een touwtje onder haar kin gestrikt. Over haar luier een stoere zwembroek, iets te veel op de groei gekocht. Ze zag eruit alsof ze op ontdekkingsreis ging.
       Het water kwam in voor haar huizenhoge golven aanrollen. Ze zette zich schrap, stak haar rechterhand in de lucht en riep: ‘Ho ho ho.’ En ja, vlak voordat de golven op haar neer zouden vallen, hielden ze halt. Ze liet haar hand zakken, tevreden over het resultaat, en stapte verder langs de kustlijn.
       Ik heb altijd erg van water gehouden, iets wat in mijn geboortestreek niet vanzelfsprekend is. Wij hadden alleen een beek in ons dorp. En natuurgebied De Banen, waar een paar enkeldiepe waterplassen de zee representeerden. Met een beetje goede wil zou je de nabijgelegen Ospelse Peel drassig kunnen noemen, maar voor de rest was het zanderig zover het oog reikte.
       De eerste keer dat ik de zee zag, was ik een jaar of acht, tijdens een schoolreisje. We liepen erheen door een duingebied, en ineens zag ik haar. Van links naar rechts en tot aan de horizon: overal water. Bewegend water. Groen en blauw water, een vermoeden van oneindigheid, het idee dat het land ophield en overging in water, water en nog eens water. Mijn keel werd dichtgeknepen, totdat ik een leraar hoorde zeggen: ‘Ja, wel mooi, maar niet zo mooi als de Maas.’
       Omdat ik al ouder was, hoefde ik niet meer ‘ho ho ho’ te roepen. Toch duurde het bijna een uur voordat ik echt de zee in durfde, voordat ik mijn schroom geheel had afgelegd. Voetje voor voetje kwam ik naderbij, tot ik, weer een kwartier later, volledig door zeewater was omgeven. Dit was het dus. Hier zou ik de rest van mijn leven naar blijven verlangen. Zwemmen in zeewater.
       Het gedicht van Herman de Coninck vond ik in Water, een bloemlezing van Nederlandstalige gedichten, die ik zondag op de Beurs van Bijzondere Uitgevers kocht. Gerrit Komrij schrijft in het voorwoord: ‘De Nederlandse dichtkunst is ten nauwste verbonden met het water. Dichters mogen zich naar buiten volgelingen wanen van een sterker vocht, water blijft een onvermijdelijke en dankbare bron van inspiratie. Waar het land vol van is, daar is zijn dichter vol van.’
       Is het een goed gedicht? Nou, ik weet het niet. Het is wel heel erg De Coninck. In zijn meest recente boek Mijn gedichtenschrift omschrijft Benno Barnard het werk van zijn vriend Herman redelijk adequaat, als hij het heeft over het herlezen van de verzamelbundel De gedichten:
Soms lees ik daarin. En dan herinner ik me mijn bewondering voor Hermans achteloze meesterschap (...). Maar uit het struikgewas van de semantiek springen zijn irritante woordspelingen weer op mijn nek; en onvermijdelijk moet ik ook denken aan zijn traumatisch-katholieke levensfilosofie, waarmee hij me ergerde omdat hij er nooit werkelijk over doordacht.
In dit gedicht heeft De Coninck er ook wel last van, van die uit struiken springende ellendelingen. Vooral in de eerste zes regels, die alleen met de mantel der liefde eroverheen heel erg goed te verdragen zijn. Een rechtdoor lopende ideologie. Een vastberaden stoet van stilte. Dat met die dijken, die de internationale moeten tegenhouden. Nee, bedankt.
       Maar dan komt het achteloze meesterschap om de hoek kijken, vind ik. De Coninck heeft zich zes regels lang warmgeschreven (je gaat het vanzelf overnemen, die metaforen), als een soort Dafne Schippers, en vanaf regel zeven lopen kracht en souplesse synchroon. (Ik moet zelf bijna uitrusten van deze zin.)
       Het achteloze meesterschap is helaas iets te achteloos, naar mijn smaak. Het is heel mooi hoe hij dat doet, vooral die zin over dat zich in een vijver terugtrekkend water-op-leeftijd vind ik erg goed gevonden, en het fundament van het hele ding. Maar. Maar op het eind vind ik dat de constatering dat water altijd water is aan de dunne kant. Om niet te zeggen dat ik het een platitude vind.
       Gek genoeg ergert het me niet, ergens blijf ik bewondering houden voor de manier waarop De Coninck dit opbouwt en met een zeker aplomb presenteert. Hij flikt het toch maar. Bijna niemand komt met zoiets weg. Toen hij nog leefde, heb ik hem eens zien voorlezen; tijdens de tien minuten dat hij aan het woord was, zag je bijna alle vrouwen verliefd op hem worden. Zoiets zit ook in zijn werk; het is charmant en deels onweerstaanbaar.
       De Coninck wil in dit gedicht blijkbaar een conclusie trekken, en dat lijkt me geen goed idee. Een milde vorm van moralisme ligt op de loer. Je zou bijna instemmend gaan mompelen, gezellig, samen met de dichter, over dat dekselse water, dat water is en water blijft. Poëzie als gezelligheidsvereniging, waar je de pantoffels aan mag en het dragen van huiskleding is toegestaan.
       Het is misschien beter om, als een gedicht voorbij is, op helemaal niks uit te komen. ‘Water. Soms loopt het rechtdoor’ is een vroeg gedicht van De Coninck, ‘Zoals dit eiland van de meeuwen’ is van later, het is opgenomen in Enkelvoud, uit 1991, zes jaar voor zijn vroege dood. Twee keer niks en toch twee keer alles. Ik denk de zee om dat eiland er zelf even bij. Want die ligt daar natuurlijk ook van niemand te zijn, in al haar onverzettelijke golfslagelijkheid:
Zoals dit eiland van de meeuwen
is en de meeuwen van hun krijsen
en hun krijsen van de wind
en de wind van niemand,

zo is dit eiland van de meeuwen
en de meeuwen van hun krijsen
en hun krijsen van de wind
en de wind van niemand.
De slotbeelden van de documentaire 20.000 days on earth, over Nick Cave, brengen de zanger in beeld op het strand van Brighton. Eerst zie je hem heel goed en dan wordt er langzaam uitgezoomd.
       Daar staat hij, imposant, op het stenenstrand, de huizen op de achtergrond, de zee als aanwezigheid voor hem, maar het is allemaal gefilmd vanaf de zee, of hangend boven de zee, dus die zien we niet; en toch is zij er, en juist dat maakt het beeld weemoedig, zoals kustplaatsen weemoedig zijn.
       Deze zomer, toen ik jou nog niet kende, was ik in Oostende. Ooit gaan we daar samen heen. Ik wandelde elke dag een flink stuk langs de zee en heb zelfs twee keer gezwommen, al was het water kóúd. Oostende is een van mijn favoriete steden. Niet omdat het er zo mooi is, maar omdat alle tijdlagen er door elkaar heen lijken te lopen en je niet verbaasd zou zijn als er om een uur of zeven in de avond ineens een man de straat in loopt die de gaslantaarns komt opsteken.
       Het eerste wat je trouwens hoort als je in Oostende uit de trein stapt en het station, dat altijd in verregaande staat van onderhoud verkeert, zijn de meeuwen. Hugo Claus noemt dat geluid in zijn gedicht ‘Oostende’: ‘Het wreed gekrijs van de meeuwen.’ Maar dat vind ik overdreven, want de meeuwen krijsen niet alleen, ze monkelen ook, praten binnensmonds over de dingen die ze hebben gezien en niet aan derden mogen doorbrieven, en soms lachen ze een beetje voor zich uit. Want meeuwen zijn heel wijs, zij het enigszins cynisch.
       Op een dag ging ik eten in een Chinees restaurant aan de Zeedijk. Ik moet bekennen dat ik dat altijd doe, als ik in een stad ben, naar een Chinees gaan. Deze heette Cindy & Wong, en een nogal mollige mevrouw die zich in een adembenemend wit ensemble had gehesen (‘U kunt het heel goed hebben, mevrouw’) moederde op een mij bijna te veel wordende manier over haar klandizie. Ik weet niet of zij Cindy was, of Wong.
       Ik zat, om mij een houding te geven, in mijn dagboek te schrijven. Op een gegeven moment kon de mevrouw haar nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en opende ze de aanval.
       ‘Bent u verliefd?’
       Ik antwoordde dat dat niet het geval was.
       ‘Alleen verliefde mensen schrijven.’
       Dat vond ik een originele gedachte.
       ‘Als u weer terugkomt meneer, neemt u uw toekomstige geliefde mee.’
       Ik beloofde haar dat ik dat zou doen en je weet, Ogenvijver, dat belofte schuld maakt. Zeker aan mevrouw Cindy of Wong.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.     

zondag 13 december 2015

Voor de verre prinses 9: Frans Budé -- Goedbewaarde dagen

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* website
* wikipedia
* weblog
* schrijversinfo








• Vandaag de negende aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Goedbewaarde dagen

Ik herinner mij de nacht, een zwarte luchtballon,
spatten inkt waarin de straat verdwijnt. In hoeken
wordt gevreeën, geen regen nog dan blauwe ruis van

televisiebeelden, geur van damp en thee. Dat er
dansers zijn, hoog in een herinnering stoelen op een
terras waar men rieten torens bouwt - dat is gewaagd,

misschien twee uur in de nacht, een hond, kletsnat,
schudt zich af, vult beschaamd de wereld met zijn last.
De straat buigt zacht, brengt stemmen op het plein.

Je wordt verwacht om op te staan en lief te hebben,
in het dichte donker je tranen, je handen te spannen
in de warmte van de heuvel nu de maan stijgt boven

witte stenen je vrouw te zien die, voordat het gaat
sneeuwen, je kleren schikt, turend in het zomergraf
haar vingers die naar bloemen graven, in het vuur

van zoveel as je ooglid raken. Geef haar je ring
en wacht. Alsof je praat en lacht, onder hecht arduin
het laken verlegt - als in de allereerste nacht.


Frans Budé (1945)
Zomerplaats (1998)



Mooiste Maandagaangekleedste,

Heel veel poëzie kan, net als een klokkenluidersbrief aan Anouchka van Miltenburg, door de shredder. Het verzamelde werk van Willem Kloos? Ik nam het door voor een bloemlezing en zuchtte diep. Zelfs J.C. Bloem mag voor meer dan negentig procent tot confetti worden omgevormd. Zijn werk is meestal onverdraagbaar. Kloos en Bloem zijn vooral de schrijvers van oneliners.
      Om over alles wat voor 1890 werd geschreven maar te zwijgen. Het meeste is onleesbaar geworden. De weinige gedichten die de moeite waard zijn, zijn letterlijk het topje van een heel erg grote, zich gelukkig onder de waterspiegel bevindende ijsberg. Is dat erg? Welnee. Er blijft op deze manier altijd nog hoop, voor dichters die iets willen maken dat de tijd kan doorstaan. Simon Vestdijk zei het mooi:

Veel lied’ren zijn gezongen. Doch het eene,
Het ernst’ge, dat de ziel het diepste raakt,
Ligt nog te wachten, door ’t azuur beschenen,
Tot het door hooger licht wordt afgemaakt.

Ik had gewild wat ik met zooveel woorden
Zeg inniger te zeggen; maar ik vond
Het éene woord niet, of verstoorde
Zijn nagalm met al te zanglust’ge mond...

Nou ja, hij zégt het mooi, maar misschien ook wel iets te plechtig. Zijn idee over dichtkunst is nog geschreven in een hoge sleutel, waarin nu niet meer wordt gedacht. Behalve door een paar regressieve dichters die er nog stiekem van dromen dat ze een een god zijn, in het diepst van hun gedachten. Dichters die de schim van Willem Kloos nog niet hebben afgeschud en in een mooi, maar ouderwets maatpak rondscharrelen.

Ik heb jou vaak voor je kledingkast zien staan. Bijvoorbeeld, het was maandag en je moest naar je werk. De keuze, deze jurk of die rok? Welk mooi stoeitruitje, of toch een bloes? De stadia van het aangekleed zijn. Laag over laag. Stoffen die je huid bedekken en, jammer genoeg, grotendeels aan het oog onttrekken. Maar het eindresultaat is altijd oogverblindend.
      Het was koud, of het was warm. Dat vroeg om meer stof, of minder. Om andere schoenen dan gisteren of vorige week. Om crèmes die wat nog zichtbaar is beschermen. Tegen wind of tegen de zon. Ik dacht elke keer als ik het zag, Ja, dan heeft gedichten schrijven natuurlijk bijna geen zin, als je een beeld zo kunt opbouwen. Dat is dan, ineens, alsof het er altijd is geweest.
      Misschien komt Remco Campert het dichtst in de buurt, maar ook hij moet in ‘Een vergeefs gedicht’ concluderen dat de poëzie tekortschiet als je een geliefd iemand door de kamer ziet lopen. Iemand zoals jij, die het ochtendritueel zo lang kan oprekken dat de stofmijten er ongeduldig van worden. Ik wil er geen seconde van missen. Ik kan er een dag op vooruit.

Behalve bekende en klassieke dichters, heb je ook een heel veld vol onbekende soldaten, dood en levend. Frans Budé behoort tot de laatste categorie. Binnen de dichterswereld is hij een bekende naam, maar het grotere lezerspubliek wil er nog niet aan, terwijl hij nu al jaren met de ene mooie bundel na de andere komt. Het lijkt wel een vorm van lezersautisme.
      Vorige week verscheen Achter het verdwijnpunt, maar ‘Goedbewaarde dagen’ is ouder, uit 1998. Sinds ik het ken, hoort het bij mijn eigen canon, mijn persoonlijke bloemlezing van gedichten die ik mee zou willen nemen naar een onbewoond eiland, waarop ik trouwens nooit terecht hoop te komen. Het heeft de combinatie van doortimmerdheid en achteloze zang die me weerloos maakt.
      Heel goede gedichten vervullen me altijd met een lichte huivering. Ik kan die niet precies verklaren, maar ze is er altijd, ook bij herlezing. Het is alsof het luikje naar de eeuwigheid heel even wordt opengezet. Je mag vervolgens heel even kijken, dan gaat het luikje weer dicht. Het is een fysieke ervaring, die wortelt in het niet-begrijpen, in het begrijpen dat ik iets lees waarvan ik weet dat het bijzonder is, zonder dat ik het helemaal kan doorgronden.
      Verklaringen zijn, in de literatuur, altijd iets voor na afloop. Achteraf is alles goed uit te leggen. Maar het werk zelf onttrekt zich daaraan. Het is er, zoals jij er bent als je na je ochtendritueel een nieuwe eeuwigheid aan je ontbijt zit. Of nog even iets zoekt, je sleutels bijvoorbeeld. Waarom zijn vrouwen altijd hun sleutels kwijt? Maar dat kan ik beter niet zeggen. Ik ben namelijk altijd alles kwijt, behalve mijn sleutels. Waar je niks aan hebt, als je de rest kwijt bent.

Frans Budé woont in Maastricht. Zinloze kennis, maar in dit gedicht zie ik wel steeds een Maastrichts tafereel: de nachtelijke stad, het terras, de straten die licht buigen, de heuvel die de Pietersberg zou kunnen zijn. We zijn niet in Holland. We zijn in dat merkwaardige land Limburg, in het diepe zuiden daarvan, waar het licht anders is en de steden in niets doen denken aan de grachtenombouwpakketten die iedereen zo mooi vindt. Hier is het al Vlaanderen, of Duitsland.
      Zijn gedicht is een ingehouden liefdesverklaring. De dichter talmt, hij kijkt heel goed rond in een herinnering die hij zorgvuldig wil bewaren. Wat hij daar allemaal aantreft, doet er niet zozeer toe, al hangen de beelden in de eerste drie strofes wel erg mooi - bijna zo roerloos als een luchtballon - in de lucht. Waarna hij in de tweede helft van het gedicht terzake komt.
      Zou dit gedicht gaan over de ultieme herinnering die iemand door het hoofd schiet voordat hij sterft? Of is het een ultieme herinnering die de dichter keer op keer wil formuleren, voor zijn vrouw, zijn geliefde. Ze houdt hem, letterlijk, buiten het vuur, beschermt hem, en daarom heeft hij haar lief. Hij geeft haar zelfs zijn ring, en daarmee legt hij zichzelf in haar hand.
      ‘Goedbewaarde dagen’ was het eerste gedicht dat ik jou voorlas. Je was bij me op bezoek en we stonden voor de boekenkast. Je hield me vast en ik las het voor. Die herinnering voegt zich nu bij de herinneringen die ik aan het gedicht heb, het wordt nu voorgoed dat ene gedicht uit de Nederlandstalige poëzie dat ik als eerste aan je voorlas, een associatie die hoogstpersoonlijk is, én universeel, en ik zou het liefst hebben dat alle lezers deze associatie met me delen.
      Het gedicht wordt er niet beter van, dat kan niet, maar het is wel een mooi gedicht om als eerste voor te lezen; misschien koos ik het wel, half bewust, om de kalmheid die er van uitgaat, om de trage beelden, die ik als lianen van de fijnste stof om je heen wilden slingeren. Ik wilde je geruststellen. Ik wilde je meteen vertellen hoe veel en hoe lang ik van je zou houden, vanaf de eerste dag tot en met de dag waarop het gaat sneeuwen.

Nu is het maandag. Je hebt je aangekleed. Je hebt gegeten. Als het warm is, heb je geen jas aan. Of een dunne jas. Als het koud is een van je winterjassen. Je staat in de deur. Ik loop even met je mee, omdat ik het fijn vind om afscheid van je te nemen als ik zeker weet dat je ’s middags weer terugkomt. We kussen. Je loopt naar je fiets die je naar je werk zal brengen. Het is elke keer hetzelfde en elke keer anders. We praten nog wat. Groeten. Daar ga je, nog heel even en je bent de straat uit, en ook mijn werkdag gaat beginnen.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.

Voor de verre prinses 8: Jan Kostwinder -- Afscheidslied

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* wikipedia
* recensie bij Meander
* over








• Vandaag alweer de achtste aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Afscheidslied

Alles is er nog, de kraaien kraaiend
in de hoge bomen, de melkwitte mistflarden
en het geloei van de vuurtoren,
en ook de koeien met hun onnozele ogen
en de vossen in de berm of slapend in hun holen,
en ook de lange lange weg, de slingerweg
door weilanden en langs de kliffen, om uit te komen
bij witte gebouwen en drinkgelag, bij de mannen
in hun verfbespatte overalls en bij Ellyned
die haar dijen toont onder gorgelend gelach
– flarden sigarettenrook tot onder de dakbalken;
vers getapte glazen – en ook de portierswoning
bij het kasteel waar jij ter wereld kwam, de ramen
waardoor je de zee en de tinnen kon zien,
en ook het rottend ooft in de boomgaard,
de kassen met hun ingewaaide ruiten
en de sneeuw die dit alles tot poëzie maakte

– alleen ik ben er niet meer,
niet meer dan een trilling in de lucht
van een opgeheven hand, niet meer dan de stank
van mijn ongewassen kleren bij het afscheid,
niet meer dan een klapzoen, een al vervagende
herinnering aan iemand die hier heeft geleefd,
op deze door god gemaakte en ook weer
in de steek gelaten plek:

je draait je om en kijk ik ben verdwenen ik ben er al niet meer.


Jan Kostwinder (1960-2001)
uit: Alles is er nog, verzamelde gedichten (2003)


Lieve Weekendkoerierster,

Vandaag is de Beurs van Bijzondere Uitgevers (voorheen: Beurs van Kleine Uitgevers) in Paradiso, Amsterdam. De voormalige kerk is een middag het domein van dappere, niet heel erg grote bedrijven die boeken uitgeven waar de grotere uitgevers niets mee kunnen en van notoire zelfkazers.
      Ik bezocht de beurs voor het eerst eind jaren tachtig. Het blad Tristan, onder redactie van Rob van Erkelens, Jack van der Weide en mijzelf, mocht bij het blad Adem op tafel en daarom waren we allemaal afgereisd naar Amsterdam, liftend, meegenomen door de uitgever van Rainbow Pockets Maarten Muntinga, die ons trots vertelde dat hij de imposante, limousineachtige Mercedes van filmproducent Laurens Geels had overgenomen.
      Op die beurs verkocht Menno Wigman het door hemzelf gemaakte en volgeschreven blad Nachtschade, verspreidde uitgeverij Wel de debuten van onder meer Rogi Wieg en Victor Vroomkoning, zag ik de heer Simons van De Beuk in zijn prachtige tweedpak fier achter zijn vaste tafel staan en maakte ik voor het eerst kennis met de talloze bibliofiele en bibliofielachtige drukkers die toen actief waren. Dat waren er heel erg veel: van oude heren met een fetisj tot krakers die hun eigen bundeltjes stencilden en in elkaar zetten.
      De sfeer in Paradiso heeft altijd iets van een mooie herfstdag met een beetje motregen. Het gevaarlijkst wordt dat om vier uur, als de eerste consumpties zijn uitgewisseld en de Zinloze Aankoop op de loer ligt. Want het valt niet mee, iemand uren helemaal alleen achter een kraam zien zitten, lezend, zich ogenschijnlijk niks aantrekkend van zijn marginale positie.
      De redactie van Adem, waar wij bij mochten aanschuiven, werd gevoerd door Marisa Groen, Jan Kostwinder en Hein Aalders. Over Jan Kostwinder die in 2001 overleed - wat inmiddels een eeuwigheid geleden is, en ook voelt als een eeuwigheid geleden - wil ik je iets vertellen.

Wij van Tristan leerden Jan kennen in 1986. Tussen Rob en Jan was het meteen vechtsjans. Dat kwam nooit meer goed. Ik kon het goed met hem vinden, wat ook wilde zeggen: ik keek enigszins tegen hem op en liet me overdonderen door de eindeloze verhalen die hij over me uitstortte. Jan was nooit echt stil. De héle dag was hij bezig met het formuleren van zijn mening over het belangrijkste ter wereld, de literatuur. In het voorwoord van Alles is er nog, zijn verzamelde gedichten, nam Hein Aalders een anekdote op; Jan en hij waren in de geboortestreek van Cesare Pavese, omdat ze een boek over deze auteur gingen schrijven.
      ‘(...) Ze volgden diens voetsporen en ondervroegen mensen die hem gekend hadden. Onvermoeibaar hield Kostwinder op hun speurtochten de Nederlandse literatuur tegen het licht. Te midden van de heuvels van Paveses geboortegrond, onder een brandende zon, vroeg hij, nadat de laatste perikelen rond zijn eigen tijdschriftje (Adem, CB) uitvoerig besproken waren, “maar wat vind jij nou van Maatstaf, Hein?” Het zweet gutste hun van het voorhoofd en Aalders kon niets anders uitbrengen dan: “Alsjeblieft Jan, kijk om je heen en hou voor één keer je kop.”’
      Dat was Jan. Een verhalenmachine zonder uitknop. Ik heb heel erg veel van hem geleerd. Hij was bevriend geweest met Rogi Wieg en had een langlopende vete met hem. Ik weet tot op de dag van vandaag niet waarom. Vooral was hij mijn eerste gids in de poëzie die nog niet was gebundeld, maar wel snel gebundeld zou worden. Via Jan leerde ik werk kennen van Arjen Duinker, Elma van Haren, René Huigen, Hans Kloos en K. Michel.
      Duinker en Michel schreven gedichten en maakten vertalingen, die ze opnamen in hun eigen stencilblad AapNootMies, voor drie gulden bij Perdu aan de Kerkstraat te koop.

Ik herinner me dat ik op een dag bij de traditionele vrijdagmiddagborrel van Perdu was en bijna bezwijmde van bewondering toen Martin Bril en K. Michel binnenliepen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was; wat het voor Bril en Michel ook was. Ik kwam van den buiten. Niet veel later gebruikten Bril en Van Weelden een regel van Michel als motto voor hun romandebuut ABC. Hoger kon je als dichter niet stijgen.
      In de jaren die volgden debuteerden al die dichters die ik via Jan leerde kennen. Internet was nog geen massamedium en bij het verschijnen van die boeken ging je naar boekhandel of antiquariaat en schafte ze aan. Anders had je geen idee wat er ongeveer in stond. Wat ik me vooral herinner is mijn bewondering voor de debuten van Huigen en Michel, voor de eerste bundels van Van Haren en de Perdubundel van Kloos.
      Inmiddels volgde Jan knarsetandend de carrière van Wieg, die onderdak had gevonden bij Van Oorschot. Van elke nieuwe bundel (en er verscheen elk jaar wel een nieuwe bundel) zei hij dat deze nu echt de ondergang van Wieg inluidde. Nú was het echt voorbij. Hij nam zich voor om dit in een allesomvattend essay aan te tonen.
      Voor me ligt Rode oever, het debuut van Arjen Duinker. Uitgegeven door Meulenhoff in 1988. Achtenveertig pagina’s, waarop achtentwintig gedichten en een reeks reisnotities. Maar al vanaf het eerste gedicht was ik diep onder de indruk:

KLIMOP!
ER GROEIT KLIMOP!

Ik ben ver weg geweest

KLIMOP!
ER GROEIT KLIMOP TEGEN DE MUUR!
OOOH! ZO GROEN!
Ik bedoel maar. Wie durft dat zo te schrijven? Caps Lock. Met vijf uitroeptekens in zes regels. Het is een van de mooiste yells waarmee ooit een dichterschap begonnen is. Duinker verbaast zich in zijn werk zonder zich te bekommeren over de indruk die dat op de lezer maakt. Ik vind dat nog steeds een van zijn sterkste stijlmiddelen, die verbazing, ook al is het gecondenseerde (de eis van een uitgever om het binnen die achtenveertig pagina’s te doen?) er jammer genoeg af.
      Dit is een ander mooi gedicht uit Rode oever, waarin hij een vorm van lucide zeuren bereikt die me wel bevalt. Want waar gáát het hier allemaal over? En waarom? Ik denk: over alles (en over drie elementen) en daarom. Iets wat in gedichten misschien net te weinig voorkomt, de meeste gedichten gaan vooral over de dichter of over niks, maar bij Duinker dus wel.
      De dichter laat hier iets zien. Hij toont aan, of spreekt uit, dat er aan het voorstellingsvermogen geen beperkingen kunnen worden opgelegd. Hier wordt de inspiratie onomwonden weergegeven, dit gedicht is niet het resultaat van inspiratie, het formuleert die:

De wind heeft een blauwe staart
Water heeft een blauwe staart
En vuur heeft een blauwe staart

De wind heeft ook een witte staart
Water een groene
Vuur heeft natuurlijk naast een blauwe
Ook een rode en een gele

Dan heeft de wind een zwarte staart
De staart van water is wit
En als je goed kijkt zie je
Dat vuur ook een zwarte staart heeft

Tenslotte heeft de wind een gele staart
Water heeft misschien nog een rode staart
Maar vuur heeft verder geen staarten
Jan Kostwinder las alle poëzie die in die jaren verscheen en was aan de lopende band bezig met het aanscherpen van zijn poëtica (een woord dat hij met zijn adembenemende Amsterdamse accent heel mooi kon uitspreken), met het zoeken naar het juiste woord op de juiste plek én met het bestrijden van wat hij humbug vond, of flauwekul. Die strijd stond zijn eigen werk soms in de weg.
      Woorden zijn namelijk geen daden, lieve weekendkoerierster. Woorden zijn maar woorden. Jan worstelde daarmee, al had hij het lek in zijn twee prozaboeken wel boven. Daarin kon hij zijn stijl de vrije teugel laten en werd hij een echte schrijver. Oh ironie, Jan bleek een betere prozaschrijver dan een dichter te zijn. Jammer genoeg heeft hij dat niet kunnen uitbouwen. Toen hij stierf werd er alleen een ontwerp voor een derde prozaboek tussen zijn papieren aangetroffen.
      Jan werd gecremeerd. Tijdens de plechtigheid die daaraan voorafging, was K. Michel ook aanwezig. Toen we samen naar buiten liepen, was er ineens een lichtflits in de wolken te zien. Het kon geen bliksem zijn, want het was een redelijk mooie zomerdag. Michel en ik keken elkaar aan en lachten. ‘Dat was Jan.’ Niet veel later schreef Martin Bril een column over hem. Over zijn nalatenschap en over zijn werk. Jan zal het allemaal met welgevallen hebben aangezien, op zijn wolk. Jan stond graag een beetje in het brandpunt van de belangstelling.

Zijn ‘Afscheidslied’ is een van mijn favoriete gedichten. Jan heeft hierin zijn parlando tot dichterlijke taal geslepen, en hij weet het geheel een onnadrukkelijk en toch onontkoombaar ritme op te leggen. Als ik het voorlees, ga ik bij de slotregels altijd bijna onderuit. Ik vind ze ontroerend, en natuurlijk speelt het een rol dat ik die onhandige, soms een beetje warrige en smoezelige Jan dan weer voor me zie. Met zijn poëtica. Straks, als ik terug ben van de Beurs, zal ik je dit gedicht voorlezen. Niet om de titel, maar omdat sommige gedichten om de zoveel tijd moeten worden voorgelezen, bij voorkeur aan jou.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.

vrijdag 11 december 2015

Voor de verre prinses 7: Paul van Ostaijen -- Avondgeluiden

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* wikipedia
* dbnl
* nagelaten gedichten








• Vandaag de zevende aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Avondgeluiden
Er moeten witte hoeven achter de zoom staan
van de blauwe velden langs de maan
’s avonds hoort gij aan de verre steenwegen
paardehoeven
dan hoort gij alles stille waan
van verre maanfonteinen zijpelt plots water
- gij hoort plots het zijpelen
van avondlik water -
de paarden drinken haastig
en hinniken
dan hoort men weer hun draven stalwaarts

Paul van Ostaijen (1896-1928)


Allerliefste Maanfontein,

Nesten, een rozenstorm, een code, een glas water, een zwembad, trappen - wat begon als een ‘korte geschiedenis’ van de Nederlandstalige poëzie lijkt wel een hoeveelheid water en natuurgeweld, opgesloten in een brandkast waarvan de code zoek is en die alleen via een trap te bereiken is.
      En nu? Nu komt Paul van Ostaijen erbij. Waarom? Dat leg ik aan het einde van deze brief uit.
      Van Ostaijen is een dichter zoals je een dichter zou beschrijven, als je gelooft in romantische cliché’s. Een bewogen leven, politiek gerommel, nooit geld, en een vroege dood (aan TBC). De geleerden zijn er nog van aan het bijkomen. Van zijn leven, én van de poëzie die hij naliet. Ik denk dat hij in het Nederlandse taalgebied een van de meest becommentarieerde dichters is.
      Het meest bekend is hij om zijn vorm- en taalexperimenten, daar zijn exegeten gek op, maar ik hou van zijn nagelaten werk, waarin hij ‘tot rust’ kwam, de dood recht in de ogen keek en heel eenvoudig en toch ingewikkeld werk schreef. ‘Avondgeluiden’ is een van zijn laatste gedichten.
      Toen Harry Mulisch in 2010 was gestorven, werden tijdens de herdenkingsbijeenkomst in de Stadsschouwburg van Amsterdam beelden getoond van de reddingsactie die een groep paarden in het Friese Marrum van de verdrinkingsdood redden. De beelden uit 2006 vond Mulisch ‘mooier dan Shakespeare’.
      Wie de beelden ziet en onbewogen blijft, beschikt over een dorre ziel. De groep paarden, bijna onbewogen, die uit dat water wordt weggedreven, weg van hun noodlot, de soepele bewegingen waarmee de meeste beesten uiteindelijk, bijna als vanzelf, naar het droge bewegen, de schoonheid van de paardenlijven, alles werkt samen om een eeuwigheidsbesef teweeg te brengen.
      Paarden kunnen dat. Bij krokodillen of miereneters gaat dat al een stuk lastiger. Honden en katten zijn schattig, soms, maar ze hebben niet het uiterlijk en de grandeur van deze paarden. Paarden zijn beesten die je heel vaak kunt zien, zonder ze helemaal te doorgronden. Voor mij gaat dat in elk geval op.
      Van Ostaijen heeft datzelfde eeuwigheidsbesef gehad, toen hij een nacht wakker lag en paarden hoorde, op de steenweg. Daar lag hij, misschien al getroffen door de tuberculose die hem zou vellen. De maan en de maanvelden bekijkend. Zich voorstellend dat daar ‘witte hoeven’ zouden staan, ver weg, en misschien stelde hij zich wel voor dat hij zich daar mettertijd zou vestigen, na zijn dood; en daarna kwamen de paarden.
      Natuurlijk weten wij dat Van Ostaijen niet oud zou worden, en Van Ostaijen zelf wist dit ook. Toch ‘gaat’ dit gedicht niet over de naderende dood. Het gedicht probeert iets dat onzegbaar is in woorden te vatten, het wil de sublieme ervaring die Van Ostaijen onderging formuleren.
      Heel veel poëzie doet dat, of wil dat doen; de woorden zijn de code, nietwaar, en die passen - als je goed kunt lezen - op het gevoel dat iedereen wel ooit heeft gehad, maar wat onbestemd bleef. Poëzie formuleert wat je wel wist en wat je niet onder woorden kon brengen. Poëzie legt vast wat je ontgaat en wat je, na lezing van een gedicht, nog niet kunt bevatten.

Ik herinner me dat ik een keer wakker werd om vier uur in de nacht. We kenden elkaar nog niet lang. Ik was weken zo verliefd op je geweest dat ik aan bijna niets anders kon denken, en toen ik wakker werd, wist ik ineens zeker dat ik de rest van mijn leven bij je zou blijven, als jij bij mij wilde zijn.
      Er was van het een op het andere moment geen twijfel, die ik op zichzelf al niet had, maar ik was ook niet langer onrustig, of bang, of wat dan ook. Ik was wakker en ik bleef wakker. Het gaf niks en het was niet eens echt belangrijk. Het was een subliem moment, waar ik misschien, ooit, later, een gedicht over kan schrijven. Het hoeft niet, ik zal het me sowieso blijven herinneren.
      Ja, dat klinkt koortsig, alsof ik tuberculeus ben, maar het is toch zo nuchter bedoeld als maar kan zijn. Het was alsof ik door de verliefdheid heenzakte en in een gebied kwam waar ik de weg niet kende, zoals Alice door de spiegel heen stapt en een onbekende, volledig vreemde wereld binnenstapt, een wereld die ze niettemin binnen de kortste keren leert kennen, omdat het haar wereld is.

Er zijn experimentele gedichten, traditionele gedichten, saaie gedichten, gedichten met een streepje erdoor, er zijn lichte gedichten en onuitstaanbaar zware kletslappen van gedichten. Er zijn gedichten die je aankijken alsof ze net gehuild hebben en er zijn gedichten die zo blij zijn als een kind of zo onnozel als een politicus.
      Je hebt net zo veel gedichten als er sterren zijn, of zandkorrels, of kleine en lichtgevende plekken rond je iris.
      Nu, precies op de helft van deze reeks, wilde ik daarom dit ‘kalme’ gedicht met je lezen. Van Ostaijen doet weinig in dit gedicht. Er schuiven een paar beelden over elkaar heen. De maan. De paarden op de steenweg. De drinkende paarden. De hinnikende paarden. De weer verder trekkende paarden.
      Het verre wordt verbonden met dat wat dichtbij is, en degene die alles beschouwt blijft op zijn plek, terwijl die paarden in de verte verdwijnen; wat ik een onnoemelijk weemoedig en toch troostrijk beeld vind, je ziet de hoeven bijna vonken maken op de weg.
      Het is een kalm gedicht waar alles in kan passen, alsof die paar woorden heel erg lange armen zijn die alles omvatten.

Ik heb een keer, liefste Maanfontein, op een kar gezeten die werd getrokken door een paard dat op hol sloeg. De man die me had meegenomen, raakte in paniek toen we de grote weg naderden. Hij trok aan het leidsel, maakte allerlei geluiden en zei dat ik plat op mijn buik moest gaan liggen, wat ik deed.
      Elke seconde werd ineens een oneindige eenheid van duizendste van seconden en ik zag onderweg bijna elke grasspriet langs de weg, de kiezels op de landweg, ik zag de neusgaten van de man groter worden en ik zag de damp van het paard slaan.
      Toen het aan gebeuren was, besefte ik dat het me niet zou uitmaken als we nooit meer zouden stoppen. Het idee dat er iets fout zou kunnen gaan, kwam niet eens bij me op: we waren in beweging. Die beweging was zo alomtegenwoordig dat het al na een paar seconden onmogelijk leek dat daar een einde aan zou komen. De man, het paard, de kar en ik, we waren van het ene moment op het andere onlosmakelijk met elkaar verbonden. En het was goed. Sterker, ik vertrouwde er volledig op dat alles zou duren en goed zou gaan.
      Net voordat we de doorgaande weg bereikten, stond het paard stil. Het zweette, het rilde. De man haalde zijn rode zakdoek tevoorschijn uit de zak van zijn overall en wiste zijn voorhoofd af.
      Hij vroeg of ik bang was geweest en ik zei, naar waarheid: ‘Nee, ik ben niet bang geweest.’



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.

donderdag 10 december 2015

Voor de verre prinses 6: Sebastiene Postma -- XXXVIII

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* atlascontact
* over
* recensie








• Vandaag de zesde aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


XXXVIII

Op de trap van iemand anders moeten lopen
is een foltering voor je voeten, klaagde Dante*.
Alles doet pijn. De ondergrond, de kleine schoen,
de grootte van de pas. Hij had het over ballingschap.
Niet over lezen.
De dichter was in 1302
tijdens een burgeroorlog
verbannen uit zijn geboortestad Florence.
Nieuwe machthebbers in de stad hadden
hem veroordeeld tot de brandstapel
en zijn trap geconfisqueerd toen hij
even in Rome verbleef. Hij keerde
niet meer terug naar zijn grond.

Voorovergebogen zoekend volg je met de hond
het vossenspoor. Je herkent de pootafdrukken.
De print van de vetkussentjes
en nagels in het zand. Het patroon
loopt door tot de rand. De linker- en
rechterpootafdrukken vormen samen een
meanderende lijn. Je zet je voet op de lijn
en kijkt. Waar is het beest naartoe gevlucht?
Waar is de burcht? Je wandelt verder
in het spoor en wist met je stappen de voor.

Verander je in wat je opjaagt? Muteert je voet
of poot? Ontmoet je iemand?


---
* ‘... hoe de voeten foltert / het op- en afgaan langs een anders trappen.’ (Dante Alighieri, De goddelijke komedie)


Sebastiene Postma (1957)
uit: Trappen (2015)



Lief Leesbeest,

De geschiedenis van de poëzie begint met elke bundel die verschijnt, met elk gedicht opnieuw. Dat is na ‘Hebban’ zo, en dat zal doorgaan tot de laatste dichtbundel, ooit, verschijnt. Elke keer herbergt een nieuw verschenen boek een belofte. Zou dit het meesterwerk zijn of een meesterwerk bevatten? Het debuut zijn van een groot dichter? Of is het niks? Een paar maanden geleden kreeg ik een bundel opgestuurd van een debutante. Die nog heel weinig in tijdschriften had gepubliceerd en een wit, eenvoudig beletterd bundeltje van achtenveertig pagina’s in de wereld zond.
      Sebastiene Postma maakt trappen. Die vermomt ze als gedichten en achtendertig van die gedichten nam ze, romeins genummerd, op in haar debuutbundel Trappen.
      De gedichten XXXIX en XL bevatten geen trap. XXXIX gaat over John Taylor, dichter en veerman op de Theems. Die de rol van Charon vervult en ons uit de bundel wegvoert, onze eigen eeuwigheid weer in. Via een horizontale trap van water, zou je kunnen zeggen. XL is een lijst van de dichtersnamen die Postma in de eerste negenendertig gedichten heeft behandeld: een namenladder. Van W.H. Auden tot en met Edward Young, via allerlei (voornamelijk Engelse) namen, maar Francesco Petrarca en de niet-dichtende Augustinus van Hippo zijn ook opgenomen. Dus eigenlijk bevatten alle veertig gedichten trappen.
      Dante Alighieri staat er ook tussen. Jouw Dante, wilde ik bijna zeggen. Ooit zag ik je Dante lezen. Je had een groot boek op schoot, van de Wereldbibliotheek, waar je naar zat te staren, want je zocht een paar regels die je me wilde voorlezen. Regels waar je aan had moeten denken, en die je voor je afstuderen in een wat groter verband had bestudeerd en in een scriptie verwerkt.
      Voor mij had je best eeuwig zo mogen blijven zitten, of in elk geval veel langer dan je deed.
      Je zat op de bank te lezen, af en toe vooruitbladerend, je keek heel ernstig, wat er op duidt dat je je concentreert, en dat het voor mij niet het goede moment is om te vragen: ‘Heb je die regels nu al gevonden?’ Ik zweeg en keek hoe je de versregels aan je voorbij liet trekken. Stiekem bewonderde ik je.
      Omdat je je zo goed kunt concentreren en omdat ik Dantes hoofdwerk nooit heb gelezen. Wel doorgenomen. Dat wil zeggen, ik heb kennis genomen van sommige passages die vaker geciteerd worden, grasduinde door vertalingen en heb een idee hoe het gigantische gedicht in elkaar zit, en waar het over gaat.
      Ter verdediging: Faust van Goethe las ik wel. In het Duits. Maar Dante? Nee.
      Natuurlijk is deze verdediging te flauw voor woorden. Vroeger dacht ik dat ik ooit alle klassieken wel gelezen zou hebben. Omdat het moest en omdat ik meer tijd van lezen zou hebben gehad. Nu weet ik dat je, hoe langer je leest, steeds meer boeken nooit zult lezen. Gelukkig maar.

De bundel van Sebastiene Postma heb ik wél gelezen. Daarin worden zo veel anekdoten, verhalen en merkwaardige dwarsverbanden tussen dichters verteld, dat je het idee hebt dat je een heel leerboek hebt doorgenomen. Want Trappen is, vooral, een boek over dichters, kunstenaars en gedichten, die als trappen tussen alle mensen en dingen fungeren die Postma ons in klein bestek presenteert.
      In de eerste strofe over het gedicht over Dante begint de dichter in een net nog te verdragen parlando met het oplepelen van weetjes uit het leven van de Italiaanse reus. Toch blijf ik als ik de vijfde regel lees even stilstaan. Wat gebeurt daar? Postma maakt dat citaat over het lopen op vreemde trappen, het leven in ballingschap, tot een citaat over lezen.
      Althans, ze zegt dat het dat niet is, en net zoals je aan een witte olifant denkt als iemand je opdraagt dat niet te doen, denk ik na haar opmerking bij dit citaat aan lezen. Lezen als het ‘op- en afgaan langs een anders trappen.’ Ik geloof niet dat ik lezen ooit mooier omschreven zag. Zo is het dus, iemand bouwt een trap, en via dat staketsel moet jij, als je het boek leest, naar boven of naar beneden. Het is niet een trap die je goed kent, het is een trap die je altijd weet te verrassen en die je nooit zo vertrouwd wordt als de trap in je eigen huis.
      In de tweede strofe verlegt Postma het perspectief naar iemand die met de hond aan het wandelen is. Die persoon ziet de sporen van een (aangeschoten?) vos, die worden gevolgd. Dante was een balling, de vos is - waarschijnlijk, al is dat niet zeker - naar zijn burcht gevlucht. De persoon wist de sporen die ze volgt. Zou de vos, anders dan Dante, nog kunnen terugkeren op zijn schreden?
      De derde strofe vind ik erg mooi. De opgejaagde mens of het opgejaagde wild en de jager gaan een symbiose aan, ook al willen ze dat niet. Je voet en je poot veranderen van structuur en uiterlijk als je ergens anders moet wennen, ergens waar je niet thuis bent.
      En dan die vraag. ‘Ontmoet je iemand?’ Stel, je wordt opgejaagd, is dat dan de vraag die je jezelf het eerste stelt? Misschien wel. Want als je iemand ontmoet, echt ontmoet als je wordt opgejaagd, kan die je leven redden, kan die je weer veranderen in degene die je was voordat je voet of poot muteerde, voordat je veranderde in de persoon die je op meende te moeten jagen.

De gedichten van Postma hebben allemaal die combinatie van onnadrukkelijkheid, dat parlando dat als een hardnekkige grondtoon overal doorheen klinkt, en een niet meteen opvallende diepzinnigheid, die ze achteloos uitserveert. Anders zou die diepzinnigheid zeker niet te verdragen zijn.
      Ze zijn als gesprekken tussen literatuurliefhebbers, deze gedichten. Gesprekken die in het beste geval een combinatie zijn van een uitwisseling van feiten en het raken aan net niet-zegbare. Dat toch, via anekdotes, metaforen en plotselinge tussenzinnen, altijd tussen de regels door, gezegd kan worden.

Heel recente gedichten zijn net zo duister als heel erg oude gedichten. Het werk van Postma is net zo ondoordringbaar als het werk van Dante. Bij de een is de nabijheid een belemmering, bij de tweede de immense afstand, die alleen met een heel erg hoge trap de diepte in te overbruggen is.
      Het is onzin om te denken dat heel recent werk beter te begrijpen is, omdat het is geschreven door een tijdgenoot. We herkennen dingen, sommige woorden vallen ons op, we leggen verbanden die ons allemaal tegelijk zijn aangeleerd. Maar de tijd moet er nog overheen. En op den duur is er zo veel tijd overheengegaan, dat we ons niet direct meer een idee kunnen vormen over die tekst.
      Daarom was jouw concentratie, lief Leesbeest, ook een poging om te naderen. Je zocht in die rijstebrijberg van regels naar een regel of zestien die je op onze situatie kon betrekken. Die je me kon voorlezen. Die, heel even, een apart gedicht vormden, een gedicht dat een web van betekenissen aanlegde tussen jou en mij.
      We stonden samen op een ladder. Niet te hoog, en niet te laag. Het verhaal ging, zoals het hoort, over de liefde.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.

woensdag 9 december 2015

Voor de verre prinses 5: Paul Snoek -- Een zwemmer is een ruiter

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* wikipedia
* dbnl
* muurgedicht
* bloemlezinkje







• Vandaag de vijfde aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Een zwemmer is een ruiter

Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water,
is liefhebben met elke nog bruikbare porie,
is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.

En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers,
is met armen en benen aloude geheimen vertellen
aan het altijd alles begrijpende water.

Ik moet bekennen dat ik gek ben van het water.
Want in het water adem ik water, in het water
word ik een schepper die zijn schepping omhelst,
en in het water kan men nooit geheel alleen zijn
en toch nog eenzaam blijven.

Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.


Paul Snoek (1933-1981)
uit: Hercules (1960)



Liefste Vlinderslag,

Van een glas water, gisteren, naar het open water. Het is geen grote sprong, of stap.
      Van de monkelende zanger H.H. ter Balkt naar Paul Snoek - zakenman, Lebemann, schilder, spion, liefhebber van snelle auto’s, iets wat overigens zijn iets te vroege dood werd - is al een grotere. De lyrische gestrengheid van Ter Balkt versus de in het experimentele wortelende zangerigheid van Snoek.
      Toen ik poëzie begon te lezen, in het begin van de jaren tachtig, kende ik maar drie Belgische dichters: Jotie T’Hooft, Paul van Ostaijen en Hugo Claus. De rest van de meute leerde ik pas kennen in 1988, toen ik een semester doorbracht in Leuven.
      Daar volgde ik, in mijn kot waarboven een bordje hing met de tekst ‘Nooduitgang’, een spoedcursus Vlaamse dichtkunst; Hugues Pernath, Karel van de Woestijne, Christine D’haen, Dirk van Bastelaere, Herman de Coninck, allemaal trokken ze voorbij, in boeken die ik uit de bibliotheek van de KUL haalde of in de plaatselijke De Slegte kocht. En af en toe ging mijn deur open, omdat iemand eens wilde weten wat er te zien was achter die deur met Nooduitgang erboven.
Ik, dus.
      In Leuven was ik gelukkig en ongelukkig tegelijk. Ik voelde me ‘bedroefd en goed’, zoals in het gedicht van M. Vasalis. Omdat ik in wezen nog een dorpsjongen was die de verhuizing in 1983 naar Nijmegen niet had verwerkt, miste ik ‘mijn’ stad.
      Tegelijkertijd dompelde ik me met welbehagen onder in die andere straten, die andere café’s, die andere supermarkten en die bakkers en slagers die op zondag wel open waren. Ik weet nog dat ik een keer op zondag in café De Appel zat en ineens werd overvallen door het idee: Je hebt een eigen leven.
      Ik had de deur van de nooduitgang gevonden, ik was alleen zo onverstandig om er niet helemaal doorheen te stappen. Na het semester ging ik terug naar Nijmegen.

Het is een vitaal gedicht. Eerlijk gezegd ben ik daar niet meteen gek op, op vitalistische gedichten. Ik bedoel: die eerste strofe, als ik die lees dan zou ik kunnen denken: Paul, jongen, doe eens niet zo stoer, wie wil je nou precies wat bewijzen?
      Ik hou wel van zwemmen en kan de sensatie die hij beschrijft daarom navoelen. De stoot zuurstof die door je longen jaagt, als je de eerste slagen maakt. Het gevoel vrij te zijn. Hoewel je moet bewegen voor je leven. Daarom vergeet ik de gedachte uit de alinea hierboven en geef ik me over, iets wat de tweede strofe vergemakkelijkt. De stoere dichter is ineens een mens van vlees en bloed geworden.
      Het gedicht wordt pas echt klassiek in de laatste twee strofen. Na het inleidende gespartel uit de eerste strofe en het loslaten uit strofe twee, krijgt de dichter er de gang in. Hij is onderweg. Hij zwemt. Hij is verbonden met al het water om hem heen en toch is hij alleen. Net als de schepper, die zijn schepping omhelst.
      Het gedicht gaat, net als ‘Code’ van Achterberg, over het maken van iets. In dit geval: van poëzie. Een zwemmer is een ruiter. Een dichter neemt het heft in eigen handen. En daarin doet hij, de zwemmer net zo goed als de dichter, zoals de heiligen doen: zich overgeven aan iets wat hem omhult, maar hem kan overmeesteren, als hij niet doorzwemt of als hij niet doorschrijft. Het is een fysieke vorm van heiligwording, eerder aards dan hemels.

Ik was veel alleen in Leuven, wat me de gelegenheid gaf om te lezen én om brieven te schrijven. Gemiddeld vijf per dag. Ik kreeg ook vijf brieven per dag, ik was ‘die Hollander met de brieven’.
      Voor het eerst in mijn leven was ik, via geschreven woorden, verbonden met een heel netwerk aan mensen, die ik kon vertellen waar ik mee bezig was - iets wat ik volgens mij niet zonder pathetiek, maar wel steeds beter schrijvend, deed.
      Wat ik niet besefte, omdat ik me verkeek op dat alleen zijn, was dat ik geknipt ben voor een leven in een andere stad, een stad ver weg van de mensen die ik ken. Dat ik, als ik alleen ben, gemakkelijker tot schrijven kom, en dat ik vanuit de positie van relatieve buitenstaander meer vrijheid heb om te schrijven wat ik wil schrijven.
      Ik moet zwemmen. Ik moest, ook toen al, zwemmen. Helaas, ik zwom niet. Ik keerde terug naar het trapje, klom omhoog en ging terug naar wat ik gewend was. Het duurde nog zesentwintig jaar voordat ik terug in het bad werd geduwd.
      Waarna ik me doodschrok, maar na een maand of vier besefte dat dit het beste was wat me had kunnen overkomen, ondanks alle ellende die er soms bij kwam kijken.
      In de herfst van 1988 woonde ik in een zaal van de KUL een optreden bij van drie toen jonge dichters, onder wie Dirk van Bastelaere. Na afloop van het optreden, of ervoor, werden de dichters geïnterviewd door moderator Hugo Brems – over wie Van Bastelaere later nog lelijke dingen zou schrijven.
      Ik herinner me nog dat het erg druk was in de zaal. Zelf was ik ook een jonge dichter – van plan om het te worden – en ik was zeer onder de indruk van de manier waarop met name Van Bastelaere zich presenteerde: met bravoure, en zelfverzekerd.
      Het overwegend jonge publiek hing aan zijn lippen.
      Niet veel later kocht ik het dat jaar verschenen Pornschlegel en andere gedichten en, in De Slegte, Vijf jaar, de bundel waarmee hij in 1984 was gedebuteerd. Een gedicht daaruit is me altijd bijgebleven:

Curtis

En geen einde dan tot het bittere

Einde. Waar de bittere ochtend
Over de akker kruipt
Als een ooglid, over een blindgestaard oog.

De muren zijn er witter
Dan zweet. Geen huis, geen verhaal
Bood meer schaduw

Dan zijn eigen, zachtaardige hand
Die hij sloot als een gat
In de dag, omdat hij dat uiteindelijk was.

Ik laat de flarden van mijn handen drogen
In de wind en de zon die over de polder ruist
Is een brute zon. Ik heb

Geen schuld te dragen. Ik heb hem alleen
Gewild. Zo zwart en bewusteloos.
Zo onverklaarbaar.

Dat maakte indruk. Ik had de muziek van Ian Curtis en Joy Division net overleefd. Maar waar het gedicht over ging, of gaat? Dat wist ik niet precies en ik geloof dat ik dat nu nog niet helemaal kan zeggen. Wel was en ben ik onder de indruk van de beelden die Van Bastelaere oproept. Dat oog. Die wituitgeslagen witte muren. Die in een gat in de dag verdwijnende zanger.
      De laatste twee strofen, waarin hij op ‘zichzelf’ inzoomt, of de zanger Curtis zelf laat spreken, zijn net zo goed. Mokerslagen. Die eindigen met de twee mooiste mokerslagen: ‘Zo zwart en bewusteloos. / Zo onverklaarbaar.’
      Hier gebeurde iets, in een gedicht, waar ik nog nooit eerder, nooit op die manier, mee in aanraking was geweest. Hier stapelde iemand beeld op beeld, en al die beelden botsten tegen elkaar, gingen in elkaar op, riepen een wereld op die bekend leek, en het niet helemaal was. Het was net of ik naar een film zat te kijken.
      Ik was er bijna bang voor, voor dat soort poëzie. Ik moest een stap maken, die beelden in. Ik moest de woorden nemen voor wat ze waren. En daarna vergeten wat ze betekenden. Ik moest zelf aan het werk, en het werk zou nooit helemaal voltooid zijn.
      In zekere zin gaf Van Bastelaere me net zoveel besef van vrijheid als Paul Snoek deed. Anders misschien, maar ik wist dat het de moeite zou lonen, altijd, om een stap te maken in de richting van de dichter. Dan hoor je hem beter. Je kunt iemand niet verstaan als je op afstand blijft en denkt: Wat zegt hij nou?

We hebben elkaar ontmoet in de herfst, dus van zwemmen is het nog niet gekomen. Maar ooit, lieve Vlinderslag, gaan we zwemmen. Twee heiligenbeeldjes die rillen van de kou en verdwijnen door een gat in het water. Ik zal, voordat het zover is, een paar stappen in je richting doen. En jij?



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.