maandag 23 maart 2026
Pierre H. Dubois • Piepkleine bloemlezing
zaterdag 26 juli 2025
Remco Campert • Geboren, ben ik, nu nog
Geboren, ben ik, nu nog,
28 juli 1929 in Den Haag
zoon van mijn moeder
zoon van mijn vader
het weer was mooi
was het weer mooi?
zand van de stoepsteen
wpoei in de voortuin
mijn moeder was zacht en in de war,
een jonge actrice die een kindje kreeg
waar begint het leven?
waar eindigt het?
ik een geliefde dikke babyflop
in windsels,
mijn vader een verhaal
van zijn vrienden
(getennist
schijnt hij zelfs te hebben)
Den Haag, toen een stad
als men er de blaadjes op naslaat
van de boertige beau monde
Holland op zijn best if ever
twintiger jaren arme scott je broeken
je boeken niet
Russische les franse leçon sévère
met jonge duitse assistentes
Amerika? daar was alles mogelijk
mocht alles ooit misgaan
Alain Teister en Remco Campert
woensdag 16 oktober 2024
Anne Provoost • novem
novem
de aanvaarding
De getroffene probeert aan de pijn te
ontsnappen door erin mee te gaan
*
ik hoorde god grommen
ik hield me muisstil
mijn zenuwen ratelden seismisch
maar dat nieuws zal vandaag niet ver reizen
praten was voor het uiterste geval
op een andere datum op een andere plaats
want ik had een accent als een stotter
dus ik wachtte tot het woei
en het woei uit de tijd inderdaad
en er klonk hoog gekraai
in het klokkengeluid van alle godsdiensten samen
en ze raakte me aan
zoals de kapper je nek scheert
ze was niet veranderd
ze was zoals toen luisterklaar
ze vroeg naar ons thuisland van vrienden die langskomen
ze had blauwwitte tanden
ze leerde me mijn eeuwige geheugenkind kennen
eerst droeg ze het op haar arm
daarna moest het lopen
ik dacht aan haar dus dacht ik ook aan hem
Koo was zijn naam
de humeurige aap
geen man maar een trein
die hoopte medailles en lof te krijgen voor zijn begerige belangstelling
voor meteorologische voorspellingen
hij bad volgens het boek
hij brandde een lamp op het water
en hield de tocht uit zijn mond als hij praatte
het is de woorden niet waard
mijn vingers gingen over de aren
waarom deed ik zoiets reddeloos als bidden voor een vrouw die me
laadde en stilstaan in waanzin
in tijden met niemand nog thuis zoals het miljoen reizigers met slechts één koffer
geen kat met een rat in de maag als verloning
voor alles waren we gewaarschuwd
voor de druk op de heup, voor de gal in de strijd
want wie wil er nog kijken naar aandacht die pijn doet als hij de
aandacht kan eisen met fluiten en krijsen
dus ik vatte het plan op om nooit meer de wateren waarin ik wilde
vissen te storen
maar ik voelde dus dat iemand me net niet had geraakt
tenzij met haar haren
totaal onverhoeds
het kon ook een man zijn
bijvoorbeeld mijn vader
Anne Provoost (1964)
uit: Decem (Querido, 2024)
Decem. Ongelegenheidsgedichten voor asielverstrekkers
Een jongeman meent zich alles nog te herinneren: hij stapte in een bootje op zoek naar een land met een tandarts, zijn vrouw bleef in het water achter en werd door vissers begraven, en er was ook nog ergens een kind. Door de shock verliest hij het zicht op de gebeurtenissen, maar zijn verblijfsvergunning hangt af van hoe geloofwaardig zijn rouw klinkt. In een reeks ongelegenheidsgedichten veegt hij zijn ondervragers met cynische precisie de mantel uit.’
(Querido, 2024)
• Omslag: Steven van der Gaauw • Portret: Mathias D’Haen
maandag 3 juni 2024
Babs Gons • Tot de aarde laat zien
• Dichter des Vaderlands Babs Gons is een van de dichters die optreedt (met onder meer onderstaand gedicht) op het Poetry-festival, dat vanaf donderdag in Rotterdam gehouden wordt. Coster-abonnees kunnen er met korting heen. Kijk onderaan deze mail voor de bestelinformatie.
Tot de aarde laat zien
er is geen tijd
als een geliefde
zich onder het puin bevindt
geen adem
geen rust
geen wet
geen rede
want als liefde niet
overal dwars doorheen
groeit en graaft
dan zouden we niet
zo hartstochtelijk bestaan
als een geliefde
zich onder het puin bevindt
dan lichten we op in het donker
worden handen graafmachines
dan bolt kracht zich op in bundels
in spieren
in verstrengelde handen
het hart slaat de maat
van het omploegen
van elke centimeter
tot de aarde laat zien
wat we liefhebben
en we dat kunnen vangen
in de talloze armen
van onze hoop
Babs Gons (1971)
2 februari 2024 — Gedicht naar aanleiding van een explosie in Rotterdam-Zuid, waarbij een appartementencomplex instortte.
• Foto: Bianca Sistermans
•• In de laatste regel van het gedicht van Hans Andreus van vrijdag was een woordje terechtgekomen dat daar niet hoorde. Excuses. De juiste versie staat hier.
•• Liedje van de dag van Jeong Hun Hi (uit de film Decision to Leave).
•• Dagboek: 1 juni 1969: Maarten ’t Hart over Jung’s gebrek aan humor.
•• Dagboek: 2 juni 1998: Boudewijn Büch heeft een intense depri-dag.
•• Dagboek: 3 juni 1932: Harry Graf Kessler hoort dat de Bundestag is ontbonden.
•• Met korting naar Poetry: met de onderstaande kortingscodes krijgt u een korting van 20% op een dagkaart. Ga naar de ticketsite van Poetry, selecteer de dag(en) van uw voorkeur en gebruik eeen van de volgende kortingscodes: Openingsavond: COSTER20THURSDAY; vrijdag: COSTER20FRIDAY; zaterdag: COSTER20SATURDAY; zondag: COSTER20SUNDAY. Er verschijnt dan een ticket met de naam Coster20. Klik op de +, selecteer het aantal kaartjes, plaats de bestelling en reken af. U ontvangt de kaartjes per e-mail.
* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *
• Laurens Jz. Coster — iedere werkdag een gedicht.
• Redactie: Raymond Noë
• Aan- en afmelden.
maandag 19 december 2022
CV & abonneren
• Lees hier het cv van het Laurens jz. Coster-project.
"Een bloemlezing in dagelijkse afleveringen."
Jo Gisekin • Winter
•• In Klein schildersboek staan de beeldgedichten centraal die Jo Gisekin schreef bij bekende schilderijen vervaardigd door ‘Leieschilders’ — schilders die zich lieten inspireren door de rievier de Leie, zoal Roger Raveel, Gustave van de Woestyne (broer van Karel) en Gustave De Smet. De schilderijen zijn ook in de bundel opgenomen. ‘Winter’ is geschreven bij een schilderij van Albert Saverys (1886-1964).
Winter
Kieren zijn gedicht. Huizen pakken
geblinddoekt
eenzaamheid in. Verzinken als
tuinkabouters
in het sprakeloze van de grond. Stilte
houdt zich
gedeisder dan ooit.
Dit is het bijna niet bestaan.
Sneeuw weerkaatst, spuit gensters in
zwarte bomen
een hond loopt blind zijn adem
achterna. Wij smoren
klanken binnensmonds. Galmgaten zonder
adeste-zangen.
Zieltogend leven smelt in de sloot.
Wanneer de mokerslag op korstig ijs?
Het licht dat
spleten openrijt. Een zon obsceen bijna
en excentriek.
Ziedaar een landschap zonder littekens
herboren
bewoonbaar met de hartklop van een jong
seizoen.
Alleen de hunker na al dat kille
oponthoud blijft
onbeschreven. Als geuren van een
ouderwets boeket.
Altijd weer wachten op groen dat
gekalkte muren smukt.
Op brem in bloei. Op gele gentiaan aan
de waterkant.
Het eigen hart op vinkenslag.
Jo Gisekin (1942)
uit: Dooitijd (2012)
woensdag 26 januari 2022
Sven Staelens • Grenzeling
•• Het Poëzieweekgeschenk van de op axiomatische poëzie gerichte uitgeverij crU van dit jaar, Grenzeling, is geschreven door sven staelens. Het is een een poemic, een dichtbundel op basis van comics. Staelens gebruikt er een moeilijk leesbaar font in, en een onleesbaar (asemisch) font — elementen die vaak gebruikt worden om de grenzen van de poëzie op te zoeken. Hier worden deze elementen ingezet om aandacht te vragen voor het vluchtelingenvraagstuk zoals dat speelt in België en Nederland.
woensdag 22 december 2021
Guus Middag • Applebottom
Hoe zou de applebottom in het Nederlands heten? Ik ging ernaar op zoek, en kwam er al snel achter dat het Engelse woord onze taal al had bereikt: in een gedicht van Quirien van Haelen. Hij maakte een straattaalversie van het bekende achttiende-eeuwse gedicht ‘De pruimeboom’ van Hieronymus van Alphen. Daarin zag ene Jantje eens pruimen hangen, ‘o! als eieren zo groot’. Hij wilde ze graag plukken, ‘schoon zijn vader ’t hem verbood’. Jantje was in tweestrijd, overlegde hardop in zichzelf, besloot het toch niet te doen. Zijn vader had zijn brave jongen met zichzelf horen worstelen, prees hem zeer en beloonde hem alsnog met de door hem zo begeerde pruimen.
Bij Van Haelen, 250 jaar later, ziet Jantje geen pruimen, maar iets dat op een appel lijkt: ‘Jantje zag die applebottom / van die spange spandexho.’ Spang betekent ‘sexy’, spandex is elastaan en een ho is een hoer of slet. Jantje ziet de bolle bips van een lekkere meid in een strakke lycralegging – en hij begint er meteen zin in te krijgen. De ho is ook nog eens de vriendin van zijn broer, en laat zijn broer nu net in de gevangenis zitten (‘mi brada zit toch in de jilla’). Ook zij is wel in voor een verzetje.
Bij Hieronymus van Alphen ging papa aan het eind van de vertelling schudden aan de boom en daarna kreeg Jantje ‘zijn hoed vol pruimen, / en liep heen op een galop’. Bij Van Haelen loopt het allemaal heel anders af. Hier gaat het smatje aan het schudden – met haar achterste, ‘hoofd naar onder, bil omhoog’. Het eind van het lied komt dan snel: ‘Jantje hield het niet lang droog.’ Allemaal de schuld van die applebottom.
Uit Verklarend zakwoordenboekje van rare woorden van Guus Middag, te koop bij de uitgever.
Die applebottom (Een story)
Jantje zag die applebottom
Van die spange spandexho
En hij wou die tanga ballen
Ook al was ze van zijn bro
Fokkit, zei hij, want mi brada
Zit toch in de jilla, aight
Hij kan mij nu toch niet met zijn
Pipa poppen, fok die shait
Maar ik ben geen backstaptype
Hij dronk aan z’n ginger beer
Effe tjappe, jonko smoken
Dan ik klop me eige spier
Weg ging Jantje, naar die shoppa
Maar die smatje was niet doof
Die zei, fokkit, ik wil bana
Klaasje zit voor tasjesroof
Hij heeft mij gezegd dat ik
Kon doen en laten wat ik wou
En nu wil ik kokkie geven
Boi, ik zuig je ballen blauw
Daarop ging ze aan het schudden
Hoofd naar onder, bil omhoog
Later batsen, badaptaki
Jantje hield het niet lang droog
Quirien van Haelen
maandag 20 december 2021
Guus Middag • Ravelijn
Het laatste gedicht wil een opsomming zijn van alle mooie dingen die zich elke dag zomaar aanbieden, en Wigman wil niets anders dan de lof zingen van al dat moois: ‘je hand die voor het eerst een kattenvacht streelt, / je moeder die bezorgd je knie verbindt, / zes moegedraafde paarden in de zon, / het onweer waar augustus mee begon’, en nog veel meer. Muziek, erotiek, poëzie. En: ‘een woord als moerbei, huisraad, ravelijn’.
Er zijn geen wetenschappelijke definities van wat een mooi woord is, maar iedereen voelt meteen wel aan dat moerbei, huisraad en ravelijn mooie woorden zijn – en van die drie is ravelijn onbewezen het mooiste. Het zou de naam kunnen zijn van een sprookjesprinses, een zeldzame edelsteen, een volière van glas – of is het een andere naam voor ragfijn kant? Volgens Van Dale niets van dat alles. Volgens Van Dale is ravelijn een term uit de vestingbouw: ‘buiten de vestinggracht gelegen driehoekig of redanvormig buitenwerk dat diende tot dekking van poort, courtine en schouderhoeken van de bastions’. Alleen heel mooie woorden hebben zulke geheimzinnige omschrijvingen. Gelukkig staat er een tekeningetje bij.
Om de betekenis van ravelijn gaat het niet bij Wigman. Het gaat hem hier om mooie woorden en om mooie dingen, en om het hervonden kinderlijk besef dat al die mooie dingen er zijn en alleen maar genoemd hoeven te worden, elke dag weer, zo lang het kan. Dit zijn de slotregels van het slotgedicht: ‘o mooie dingen en mijn mond benoemt het / voor ik me met het domme zwart verzoend heb.’ Dat laatste moest Wigman doen, weten we nu, op 1 februari 2018.
woensdag 15 december 2021
Guus Middag • Nonnenspiegel
De dichter Chr. J. van Geel schreef een gedicht, ‘IJsbloemen’*, over wat je er allemaal in kon zien. Een ‘oase’ bijvoorbeeld, maar dan wel een ‘oase onder een pak sneeuw’. Of de manen van een leeuw, maar dan wel de ‘berijpte manen van een leeuw’. Een indiaanse verentooi, maar dan zonder de gebruikelijke bonte kleuren; een witte verentooi, een ‘schedelverentooi’.
Wat nog meer? De vacht van een schaap, met al die witte krullen. Of ‘een dicht berkenbos’. Het dichtgevroren raam is als een schilderij waar je lang naar kunt kijken. ‘Een bloemstilleven’, aldus Van Geel. Of ‘een Séraphine’, naar de naïeve Franse bloemenschilderes Séraphine de Senlis. Of ‘een nonnenspiegel'. Wat is een nonnenspiegel? Ik wist het niet. Het woordenboek ook niet. Maar het internet, na enig zoeken, wél. Nonnen horen niet ijdel te zijn, en zij horen dus ook niet in een spiegel te kijken. Maar soms wint, ook bij hen, de nieuwsgierigheid het van de voorschriften. Daarvoor is een devote oplossing gevonden: een spiegel die, als je erin kijkt, de afbeelding van een heilige te zien geeft, of een stemmige tekst, omgeven door allerlei kunstig in het spiegelglas gegraveerde veer-, varen- en bloemenvormen. Daartussen zitten enkele kleine stukjes onbewerkt spiegelglas, waarin de nieuwsgierige nonnen dan een glimp van hun eigen uiterlijk kunnen opvangen.
Als je op internet naar afbeeldingen van die nonnenspiegels kijkt, doen ze heel sterk aan iets denken. Aan wat? Aan een raam met ijsbloemen.
donderdag 7 oktober 2021
Jopie Breemer • Ode op 'de'
Het is ‘Week van het Nederlands’, en daarom deze week vijf gedichten over (de Nederlandse) taal. Als laatste: ‘Ode op ‘de’’ van Jopie Breemer, over een veelomvattend algetal.
Ode op ‘de’
O! ‘De’, gij woord, dat zo alleen
Betekent niets, wat zeg ik, neen
Alleen betekent ‘De’ het al
Een veelomvattend algetal.
Dat woordje met een woord erachter
Maakt dit soms sterk en somtijds
zachter.
Maar zonder ‘De’ kunnen wij niet
Waar ‘De’niet is, daar is geen lied
En zonder ‘De’ ook niet deez ode
En daarom heil gij ‘De, o, o, ‘De’.
Jopie Breemer (1875-1957)
uit: De ontboezemingsbundel van Jopie
Breemer (1913)
woensdag 6 oktober 2021
Jacqueline van der Waals • Woorden
Het is ‘Week van het Nederlands’, en daarom deze week vijf gedichten over (de Nederlandse) taal. Als vierde: ‘Woorden’ van Jacqueline van der Waals, over de taal als middel om de werkelijkheid te benoemen (en daarmee het wonder stuk te maken). (Naar Rainer Maria Rilke’s ‘Ich fürchte mich so vor der Menschen Wort’.)
Woorden
Ik wantrouw het woord, een mensch, dat
praat,
Het weet van alles het hoe en waarom;
Daar is op aarde geen heiligdom,
Waar niet het woord naar binnen gaat.
En dit heet ‘huis’ en dat heet
‘hond’
En dit heet ‘God’ en dat ‘gebed’,
En noemt men iets, dan weet men het,
En nergens is meer heilige grond.
Der menschen woord raakt alles aan.
— En dan verstomt der dingen lied, —
Hun tuin grenst vlak aan Gods gebied
....
Ik waarschuw: blijf van verre staan,
En nader niet met een naam, met een
woord,
De juiste term, de gave zin,
Het doode lichaam ligt er in
Der dingen, die men heeft vermoord.
Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: Iris (1918)
dinsdag 5 oktober 2021
P.A. de Génestet • Spreekwoordjes
Het is ‘Week van het Nederlands’, en daarom deze week vijf gedichten over (de Nederlandse) taal. Als derde: ‘Spreekwoordjes’ van P.A. de Génestet, over bestaande en zelfverzonnen wijsheden.
Spreekwoordjes
Dorst maakt van de frissche stroomen,
Die den wandlaar doen bekomen
Van de hitte van zijn pad,
Meer dan kostlijk druivennat;
Honger stooft de rauwste blaêren,
Harde boonen maakt hij zoet;
Slaap schudt veêren van de varen,
En maakt nacht van middaggloed;
Zuinigheid maakt eerlijke armen,
Arbeid alle menschen rijk:
Mededoogen en erbarmen
Maakt het schepsel God gelijk.
Kleine handen, reine tanden
Maken alle meisjes mooi;
Liefde tooit de barste stranden,
Maakt een hemel van een kooi;
Witte dassen, witte haren
Pruikjes maken dominees
Van wie vroeger losser waren
Dan studenten op een sjees;
Geld maakt uil en aap en ezel
Burgemeester, man van staat;
Wijn maakt d’ allerfijnsten kwezel
Tot een wakkren kameraad;
Zoute scherts maakt flauwe spijzen
Hartig, water-wijntjes fijn;
Eetlust, kippen tot patrijzen,
En ‘een broodje’ tot festijn;
Gouden knoopen, modekleêren
Maken mof en intrigant
Vette hanzen, groote heeren;
Twintig leugentjes — een krant.
Van gebrek aan krakelingen
Maakt u de angst een hongersnood;
Praatjes maken menschen dood,
Die nog vrij door ’t leven springen;
Onbeschaamdheid maakt een nul
Nommer-éen in ’t wereldspul;
Lucht maakt kranken tot gezonden:
Edukatie maakt de honden,
De aapjes in de kermistent,
Bijna menschen van talent;
Onze tijd maakt diplomaten,
Filozofen, demokraten,
Van mijn kruier en mijn ‘Jan:’ —
Maar geen kist vol ridderstarren
Maakt van vijf-en-twintig narren
Ooit één knap, verstandig man.
(1849)
P.A. de Génestet (1829-1861)
vrijdag 1 oktober 2021
Hans Andreus • Eenvoudige semantiek
Het is ‘Week van het Nederlands’, en daarom deze week vijf gedichten over (de Nederlandse) taal. Als tweede het korte maar intrigerende ‘Eenvoudige semantiek’ van Hans Andreus.
Eenvoudige semantiek
Ik ben benieuwd naar,
maar ook bang voor,
het meervoud van bijvoorbeeld
stoelen.
Hans Andreus (1926-1977)
Adriaan Morriën • Babel
•• In de ‘Week van het Nederlands’ vijf gedichten over (de Nederlandse) taal. Als eerste: ‘Babel’ van Adriaan Morriën, over taal die stilvalt. Ietwat woordspelerig — maar met twee mooie laatste regels.
Babel
De taal ontbladert en vergaat:
naamwoorden worden van hun stam
ontdaan,
lidwoorden tot de vaderen vergaderd.
Werkwoorden zijn niet sterk genoeg
om deze stilte te weerstaan.
Bij noodwet wordt bepaald
welk zinsverband gehandhaafd blijft
op straffe van zijn ondergang.
Grote gebieden zijn verstomd,
ontvallen aan de waan
van vroegere betekenis.
Elk woord wordt radeloos vertaald
totdat het leeg geworden is.
Adriaan Morriën (1912-2002)
zondag 15 augustus 2021
De keuze van K. Schippers
• Anoniem -- Hoezee cheerio
• J.C. Noordstar -- Toen ik een kleine jongen was
• Jan Hanlo -- Klondike
• Armando -- Agrarische cyclus
• Hélène Gelèns -- Cirkels, cirkelen
donderdag 29 juli 2021
De beestjes zijn gaan vliegen
Ga je op internet zoeken naar de beestjes zijn gaan vliegen en variaties daarop, dan vind je eigenlijk alleen Vlaamse fragmenten van de eerste helft twintigste eeuw, en niet meer dan een stuk of vier - en van die vier zijn er drie van Warden Oom, opmerkelijk genoeg. Maar ook uit deze fragmenten wordt niet echt duidelijk waar de zegswijze nou precies voor staat. Waarschijnlijk zoiets als 'nu/als alles voorbij is' ... Wie het weet, mag het zeggen (in de comments onderaan).
Oprecht waar. Mensche moest er exempel op nemen. Als je dat bepeist. Artheur, dat heeft geslaafd en gewroet, geheel den liefelijken zomer, dat heeft nest bemaakt en gebroeid, misschien wel drie keers achtereen jongen bezorgd en geäasd, en, nu dat de beestjes gaan vliegen zijn en de Winter aan de deure staat, laten de moertjes Boergogne waaien. Ze 'n schuifelen wel niet meer, maar ze zijn los en vrij en ze repeteeren zoetjes hun zomerzang. Ze'n hebben maar voor hun eigen alleen meer te zorgen, én, kijk, Artheur, hoe ze daar zitten, zot achter elkaâr. (uit Mietje Mandemakers & Cie uit 1927, van Edward Vermeulen (de echte naam van Warden Oom).
Laat ons nu dus allemaal ons gewoon leventje herpakken en kijken naar de vliegmaseumen (sic, misschien vliegmachienen?) die door de lucht zoeven, al knarsetandend en naar de dorschduuvels (dorsmachines), die over de straatsteenen rodokkeren op weg van het eene boerenhof naar het andere. Laat ons luisteren naar de haans die kraaien en naar de menschen die kakelen, want de beestjes zijn gaan vliegen! (uit De Poperingenaar van 1 november 1931)Uit een artikel uit De Stem uit België met de kop Warden Oom aan de West-Vlamingen over de Kempenaars, zo te zien over het gebrek aan voedsel in de Eerste Wereldoorlog:
Ten derde: de Kempische tevredenheid met eenvoudigen kost. — Jammer dat de plaats zoo beperkt is. Ik zeg alleenlijk dit: hier eten de menschen om te leven en bij ons vond men er al een cijfertje die leefden om te eten. Hier hebben de menschen een goede maag en bij ons vond men er een fractie die altijd met een ditje of een datje geplaagd zaten: buikpijne, hoofdpijne, tandpijne, scheuremond, zenuvvtjes - och ja, zenuwtjes - en een arme maag en geen eetlust, uitgezonderd om cremechocolade en pralinetjes uit te zuigen bachten de deuren. Nu, dat de beestjes gaan vliegen zijn, smaakt ons wel alles goed. Hadden we nu maar korteletten en schotelvleesch, we zouden er het vette deel niet van aan de katte gooien. Hadden we nu maar terwebrood, we zouden geen toten trekken, omdat het nog te zwaar is, nee'w', we zouden er in bijten tot over den neus. Wij bijten nu in veel zwaarders- en 't smaakt ook. Een lesse. Een zware lesse !
Weerdschap
Allemale welgekomen!
en aan tafel plaatsgenomen,
slaat een kruiske; doet een bee.
Pakt van ’t eerste een schepke mee,
’t noemt entreetje : ’t is goe meuge.
Drinkt Sauterne een ferme teuge.
v Oxtailsoep dan – of hoe ’t zij –
met Chateau Corbin erbij,
Terrebut is best genoten
met een glas Cerons begoten.
v Ossenspier in groentenblad
met Laroze of entwat.
v ’t Kieken moet er zijn als ’t foor is
met een glaaske Nuits Sint Joris.
v Taarten, ijsbak naar uw zin,
speelt het met wat schuimwijn bin!
v Nonnegoed en sneukeldingen
binst de flesschen openspringen,
sulfers, tabak, ’t lied erop;
Koffie, leute, zware kop.
Kruiske, bede en zonder liegen
zijn de beestjes nu gaan vliegen!
Warden Oom (1861-1934)
uit: Volkse verzen (1973)
goe meuge: goede kost
als ’t foor is: als het kermis is
ijsbak: bak ijs of ijstaart
nonnegoed en sneukeldingen: snoeperij, lekkernijen
’t lied erop: zang (en eventueel dans)
leute: plezier
zware kop: van de alcohol
woensdag 14 oktober 2020
De waarheid over Charivarius' 'Rid- en runders'
César Gezelle zingt:Als je er bij stilstaat, is dit eigenlijk een wat vreemd citaat. Caesar Gezelle, neef van Guido en eveneens priester, was helemaal geen plezierdichter of taalknutselaar, dus een dergelijke speelse samentrekking zou hij nooit gebruiken — zou je zo denken. De eerste gang is dan naar het werk van Gezelle zelf, maar als je googelt op rid- en runders + Gezelle vind je enkel het gedicht van Charivarius. En de DBNL heeft heel weinig werk van deze dichter, dus daar loopt het spoor ook dood. Naar de KB dan maar, om daar al zijn bundels door te vlooien?
“’k Zie schapen, witgewold,
’k Zie rid- en runders draven ...”
Na een oproepje onder de abonnees van de Coster-gedichtenmailing komt er hulp uit Finland. Rogier Nieuweboer van de afdeling Nederlands van de Universiteit van Helsinki had de ingeving om op rid- en rundvee te googelen, in plaats van op rid- en runders, en vond een bloemlezing uit het werk van Caesar Gezelle, waarin de regel "’k Zie schapen, witgewold, ’k Zie rid- en rundvee draven" voorkomt — in het gedicht 'Hooi', een lofzang op het Vlaamse platteland. Rundvee, dus, en geen runders. Betekent dat dat Charivarius het citaat naar zijn hand heeft gezet, om tot een grappig gedicht te kunnen komen? Want gesteld dat ridvee daadwerkelijk iets is, is de samentrekking rid- en rundvee verder niet opmerkelijk of grappig.
Maar wat is ridvee dan? Online is het woord niet te vinden, en het Woordenboek der Nederlandsche Taal kent het ook niet. Het enige lemma met het woorddeel rid erin en dat ook gewag maakt van iets vee-igs, is de derde betekenis van ridderen (II):
Van jonge manzieke deerns. Achter den man loopen. Verg. gron. op de riddel wezen: op hol zijn; in het bijzonder: veel bij straat zijn en het manvolk naloopen'Op hol zijn', dat is wel te rijmen met het draven in de dichtregel. Maar er is geen spoor van bewijs dat dat er een verband is.
Dan maar kijken of het werk van Gezelle toch niet te vinden is. De bloemlezing noemt als bron de bundel Herbloei uit 1923 (die de DBNL niet eens vermeldt), maar die in zijn geheel op Delpher blijkt te staan. En daar wordt dan het definitieve antwoord gevonden: de dichtregel "'k Zie rid- en rundvee draven" op blz. 41 bevat twee voetnootcijfertjes, een 2 achter rid- en een 3 achter rundvee. Op blz. 42 volgt de uitleg in de voetnoot: 2) ridvee, paarden, veulens en kachtels ['jonge paarden'] en 3) rundvee koeien, geiten en schapen. Wat ook wel weer raar is, want niemand zou nu nog een schaap als rundvee betitelen, en een geit ook niet. Maar in het Vlaanderen van een eeuw geleden kon dat dus nog wel, blijkbaar.
En daarmee is het oordeel definitief: Charivarius heeft het citaat moedwillig naar zijn hand gezet, en zo de gek gestoken met de eerbare Gezelle, die een dergelijke frivoliteit nooit gebruikt zou hebben. Maar het zij Charivarius vergeven, want had hij het niet gedaan dan hadden we niet dit spitsvondige plezierdicht gekend.
Rid- en runders
César Gezelle zingt:
“’k Zie schapen, witgewold,
’k Zie rid- en runders draven ...”
Wij gaan voort:
’k Zie schapen, witgewold,
’k Zie rid- en runders draven,
’k Zie vo- en vlegels zich
Aan wa- en bitter laven.
Al is de stad ook vol van stu- en decadente'
Die speel- en alcohol
Verkiezen boven lente,
U, boe- en kippen-ren,
U, lust- en korensc-hoven,
U, var- en vlinderken,
U stel ik ver daarboven!
In ’t mooie voorjaarsweer,
Gaan bloe- en ramen open,
’k Zie ieder met een bloem,
Zelfs schoo- met anjers loopen,
’k Zie ei- en beuken staan,
En dreu- en andre musschen.
Wijl lij- (geen vrijsters!) slaan,
’k Zie kro- en meisjes kussen.
En mensch en kunstenaars
Zij dragen en zij eten
Veel flam- en waterbaars,
Bij ’t hij-, zij-, zwijgend zweeten.
Geen pneu- slechts harmonie:
De tweedracht wijkt voor vrede,
De ru- voor poëzie,
Juicht kin- en ouders mede!
Want len- en warmte is daar,
Mijn geest stijgt op, naar boven,
’k Wil nat- en morgenuur
Met vul- en lippen loven!
Charivarius (1870-1947)
zondag 30 augustus 2020
Saffo-fantasie • H.Th. Boelen
• Hendrik Theodorus Boelen (1825-1900) was cargadoor en scheepsreder, maar ook (toneel)schrijver (onder het pseudoniem N. Donker). Hij schreef waarschijnlijk de eerste Nederlandse sonnettenkrans (een cyclus van veertien sonnetten waarvan de laatste regel van het ene sonnet steeds de beginregel is van het volgende sonnet, met afsluitende vijftiende sonnet dat bestaat uit alle beginregels), die werd gepubliceerd in de door hem samengestelde Noord- en Zuid-Nederlandsche Tooneel-almanak voor 1876.
SAFFO-FANTASIE
SONETTEN-KRANS,
aangeboden, met de vertaling van Grillparzer's Tragedie, aan
Mevrouw RENNEFELD-LOWENSTAM.
De historische Saffo
Drong daar zelfs door, hoe diep dan ook verscholen,
Historievorschers blik, die de oudheid als doorziet,
En met een critisch oog het kaf van "t koren wiedt,
De waarheid speurt en opheft uit haar holen,
Het volk gelooft al 't geen het is bevolen;
't Praat alles kleurloos na; maar weten doet het niet
Eentoonig als de taal, die "t water van den vliet
Staâg hooren doet, steeds klaatrend op den molen.
De wetenschap heeft Saffoos daân ontdekt,
Dat Faon nooit haar min heeft opgewekt,
Geen wanhoop ook haar dichterhart bewogen,
Haar gaaf heeft Lesbos' jeugd tot heil verstrekt,
Haar leven door geen zelfmoord is bevlekt,
Door de eeuwen heen ligt klaar voor veler oogen.
De mythische Saffo
Door de eeuwen heen ligt klaar voor veler oogen,
Ja, klaarder nog dan wat geschiednis meldt,
Hoe Faon haar op haren tocht verzelt,
Haar teedre min, en hoe zij werd bedrogen.
Men hoort haar klacht; men ziet haar diep bewogen,
En, daar haar 't leven niets dan onheil spelt,
Breekt zij den band, die haar te pijnlijk knelt,
Opdat haar dood haar roem nog moog' verhoogen.
Wat Clio meldt laat koud de kunstenaren,
In Saffo's beeld zij 't beeld der min ontwaren;
Haar lied is van die min de trouwe tolk.
Wat poëzie bezielt leeft voort na jaren,
Ja, eeuwig blijft, gedragen door de scharen,
Wat eens 't genie deed schittren voor een volk.
Grillparzer's Saffo
Wat eens 't genie deed schittren voor een volk,
Brengt vruchten voort, ook nog in laatre tijden;
Ook thans, als toen, valt menigeen in 't strijden,
In 't hart gewond door wanhoop's scherpen dolk.
Nog schept genie een gloedrand om de wolk,
Verkwikt ons nog en schenkt een zoet verblijden,
Ook waar wij zien het lot van hen, die lijden,
't Wordt alles goud, is slechts 't genie de tolk.
Wat eens bewaard werd, houdt de kiem ten leven ...
Zoo kan de korrel graan weêr vruchten geven,
Bij mummiën gelegd door Rhamses volk;
Zoo kan weer Saffo-zelf voor onze blikken zweven,
Ja, in haar nieuw gewaad op nieuw voor ons verheven,
Gelijk het licht, dat doordringt door de wolk.
Idealen
Gelijk het licht, dat doordringt door de wolk,
Bij 't levenwekkend stralenschieten,
Natuur verkwikt en doet genieten,
En vreugd verwekken zal by heel het volk, ...
Zoo is 't ... ja! meer zelfs voor den dichter, tolk
Der eeuwge bron, die steeds blijft vlieten,
Ook voor wie hier het leven lieten,
En weêr tot leven wekt in 's afgronds kolk.
Daar rijst de hemel voor zijne oogen,
Hij ziet de Godheid in den Hoogen.
Bezielend door zijn ideaal,
Zingt hij zijn lied en innig diep bewogen,
Gevoelt hij, hoe zijn godentaal
Bij oud en jong de vreugde zal verhoogen.
Het levend woord
Bij oud en jong de vreugde zal verhoogen
Het ideaal, als 't goed begrepen wordt,
Het ontevreden volk, dat schimpt en mort,
Aan damp en mist, zij 't tijdlijk, wordt onttogen.
Eens dichters taal is duister voor zijne oogen,
Schoon 't enkel aan geoefendheid hem schort;
Maar wordt de paarlenschat hem ingestort
Door 't oor in 't hart, gevoelt het zich bewogen.
Laat poëzie dan klinken door de zaal;
Zij zal bij 't volk weêrklinken duizendmaal,
Verstommen doen en wrevel, wrok en logen,
Mits dat het woord zij levend door de taal,
De kunst het beeld ons klaar voor de oogen maal' ...
Ach! zonder kunst is ieder beeld omtogen.
Grillparzer
Ach, zonder kunst is ieder beeld omtogen!
Wat uit de ziel komt, tot de ziele gaat.
Wat hartstocht is, hetzij dan liefde of haat,
Treft immer, als 't veredeld treedt voor oogen.
De mensch, waar hij verkeert, voelt zich bewogen,
Zoodra hij ziet een menschelijke daad.
Het kunstgewrocht, dat, als 't zijn volk verlaat,
Zijn kracht verliest, dat werk is ras vervlogen.
Wat leven heeft, zal eeuwig blijven leven,
En overal, waar menschen denken, streven.
Wie dichter is, leeft niet slechts voor één volk.
Moog' dan uw beeld, o Duitscher! voor ons zweven,
Ja! ons verrukken zelfs, zij 't ook omgeven
Als met een floers, der droefheid sombre tolk.
Kleine-Gartman
Als met een floers, der droefheid sombre tolk,
Ze omhuld is,... als met lachjes om den mond
Ze ons tegen treedt,... zij overwint terstond
En overal, bij priester, vorst en volk.
Reeds zien wij in haar hand de blanke dolk;
Reeds hooren wij wat kwelling ze ondervond;
Wij voelen hoe zij is in 't hart gewond,
En zien haar storten in des afgronds kolk.
Grillparzer heil! ... Gij hebt een tolk gevonden!
Heel Nederland zal uwen roem verkonden.
Voor Neêrland dringt uw straal ook door de wolk,
En Saffoos groote naam klinkt thans uit duizend monden ...
God lof! want wordt geen licht uit hooger sfeer gezonden,
De schoonste gaarde is slechts een zwarte kolk.
Faon
De schoonste gaarde is slechts een zwarte kolk
Voor 't hart des jongelings, waarin toch de eerzucht brandt
Hij minacht wat hij ziet, droomt zich een vaderland,
En vindt geen ideaal bij eigen volk.
Het vreemde schijnt van 't hart de zuivre tolk
En grijpt hem in 't gemoed... Verrukking overmant
Zijn gansche wezen, zelfs zijn hart en zijn verstand.
Zie 't fonklend oog!... Het bliksemt uit de wolk!
Toch grijpt hij, bij het ommedwalen,
Maar al te vaak naar idealen,
En vindt, na korten tijd, zich wreed bedrogen...
Zoo kan in schitterende zalen
Het fonklend kunstlicht ons bestralen,
Als niet de zon verrijst aan 's hemels bogen.
Melitta
Als niet de zon verrijst aan 's hemels bogen.
Gij zijt die zon, Melitta!... Ge overwint.
Als gij verschijnt, o rein, aanvallig kind!
De jongling voelt: uw ziel spreekt uit uwe oogen,
En als gij schreit, hoe wordt zijn ziel bewogen;
Want Meêly is vaak Liefdes trouwe vrind,
Sinds hij uw tranen zag, hij vurig mint,
Slechts voelt dat gij zijn weelde kunt verhoogen.
Of zal hij nog naar idealen streven?
Uw eenvoud, uw natuur is ziel en leven.
Daar, waar de reinheid zich aan schoonheid paart,
Voert zij de ziel des stervlings hemelwaart.
Hoe kan een vrouw ooit rijker schatten geven?
Materie ... ligt bedolven onder de aard.
Rhamnes
Materie ligt bedolven onder de aard.
Verscholen zijn al de edele metalen.
Door moeite alleen kan men dien prijs behalen,
En heeft men 't goud,... nog is het niet veel waard!
Zijn glans wordt dan slechts niet geëvenaard,
Als 't door polijsting voor elks oog kan pralen;
Dan is 't een schat; met woeker zal 't betalen
Al de energie, waarmede 't is vergaard.
Die weet "te tempren door welluidendheid,"
't Genie door wetenschap ten goede leidt,
Voor zulk een heerlijk doel geen zorgen spaart,
Heeft voor den mensch een kostlijk goed bereid,
Dat goed, waar menigeen vergeefs om vleit
Is goud en diamant u... alles waard!
Eucharis
Is goud en diamant u alles waard,
Dan is geen kunst voor u geboren.
Het schoonste landschap gaat verloren,
Heeft men geen oog voor 't schoon der aard
Maar wie geoefendheid aan kunstmin paart,
Geniet met oog en ooren.
Wat andren nauwlijks hooren,
Voert hij nog meê naar eigen haard.
Een klein verhaal, met kunst geschreven,
Is dikwijls in ons brein gebleven ...
Zoo blijv' haar taal dan niet voor ons verscholen.
Wordt, kunstnaar! door uw streven
Ook 't kleine niet verheven,
Begraaf u dan in diepe, donkre holen!
Het Volk
Begraaf u dan in diepe, donkre holen,
Is kunst voor u slechts zinnelijk genot,
Uw woord sticht kwaad; vergiftigd is uw spot,
Gij, die der maagd de reinheid hebt ontstolen.
Wij zien het toch, om eenzaam rond te dolen
Is van het waar talent, helaas, vaak 't lot!
Bedorven is het volk door vod bij vod.
Men haakt op elk gebied naar beetre scholen.
Eén school toch is er reeds, waar aesthetiek
Inheemsch is, waar de tale wordt muziek.
U roep ik toe, o volk, mij dier en waard,
Niet op de straat, niet onder úw publiek
Leert gij 't begrip van taal en van mimiek!...
Maar voelt ge 't niet, 't worde u geopenbaard.
Movrouw Rennefeld-Lowenstam
"Maar voelt ge 't niet, 't worde, u geopenbaard,"
Ik dacht aan hem, met U vereend in trouwe
Toen ik dit zong, en ook aan u Mevrouwe!
O, kom bij 't feest! ... Uw bijzijn is mij waard;
Want als daarginds de menigte is geschaard,
Zit menigeen er ligt, die 't zich berouwe ...
Slechts Offenbach beheerscht thans jonge en ouwe!
Verheven kunst, ... zij schijnt gevaagd van de aard!
Wel hem dan nog, wiens blik toch soms een wezen
Van smaak ontmoet ... Wat schoon is, uitgelezen,
Vindt meestal slechts verblijf hij eigen haard.
Do kunstgod is de Zon ... Werk voort dus zonder vreezen!
De Zon dringt in Uw huis ... Zal 't volk ook dáár genezen?
De zon heeft ook de schatten dáár vergaard!
N. Donker
De zon heeft ook de schatten daar vergaard,
Waar dichtkunst gloeit in 't menschelijke hart.
O! voelde een elk den waren toon der smart,
Dan ware een elk het prachtig schouwspel waard.
Slechts dáár, waar kunst aan ware kunst zich paart,
Daar schenkt zij gloed, die elke koude tart.
O, als 't tooneel alleen betreden werd
Door kunstenaars van Kleine's eedlen aard ...
Grillparzer, goede spelers, goed publiek,
Wat waar' dat al te zamen magnifiek!
Voorzichtig! ... Er ligt nog iets in den molen!
Vertaler, ge eischt te veel! ... Is 't volk zóó ziek?
Wie weet, uw taal, klonk zelve ze als muziek,
Drong daar zelfs door, hoe diep dan ook verscholen.
Slotzang
Door de eeuwen heen ligt klaar voor veler oogen,
Wat eens 't genie deed schittren voor een volk,
Gelijk het licht, dat doordringt door de wolk,
Bij oud en jong de vreugde zal verhoogen.
Ach! Zonder kunst is ieder beeld omtogen
Als met een floers, der droefheid somb’re tolk.
De schoonste gaarde is slechts een zwarte kolk
Als niet de zon verrijst aan ’s hemels bogen.
Materie ligt bedolven onder de aard.
Is goud en diamant u alles waard,
Begraaf u dan in diepe, donkre holen.
Maar, voelt ge ’t niet, ’t worde u geopenbaard:
De zon heeft ook de schatten daar vergaard
Drong daar zelfs door, hoe diep dan ook verscholen.













