dinsdag 22 december 2015

Georgine Sanders -- Het millennium voorspeld - Brooklyn Botanic Garden

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

Georgine Sanders was de pennaam van Tineke Vroman. 

* overleden
* wikipedia
* dbnl
* documentaire
* wat gedichten
* 'Bezoek aan Malang'







Het millennium voorspeld - Brooklyn Botanic Garden

Dit lang koud voorjaar kan geoogst vandaag.
Bomen nog in de knop, maar wat nu bloeit blijft na:
goudgele struiken, bruidstooi voor magnolia's.
Eenden op het water waar karpers zijn ontwaakt.

Een grote donkere vrouw loopt een ander pad.
Paasbest geklede, donkere kinderen spelen in het gras.
Bij vroege tulpen staan bezoekers uit Japan,
Ze maken foto's en poseren, om en om.

Verderop Jesjiva-jongens op een bank
stoeien lachend, wachtend op hun boterham.
En al die kinderwagens met een slapend kind
in optocht langs de paden, omstuwd door hun gezin.

Iemand maait het gras vandaag, het ruikt zo goed.
De kindertuin is klaar, de zwarte grond geploegd,
wacht nu op kleine handen, op nieuw zaad.
Dit kruispunt van de stad, een tuin die vrede maakt.


Georgine Sanders (1921-2015)
uit: Autogeografie (1995)







• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

maandag 21 december 2015

Jean-Paul Franssens -- Mijn slager

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* website
* dbnl
* wikipedia
* paar gedichten









Mijn slager

Omdat het weldra Kerstmis is
Heeft mijn slager zijn gezicht
Met vetkaarsen verlicht
Achter zijn hakblok hakt hij zelden mis

Zijn reuzenklap is panklaar en potdicht
Bloed stroomt bij stromen uit de rode moten
De nagels barsten aan de varkenspoten
Maar elke klap geeft ze een nieuw gewicht

Rollade, riblap en saucijs
Steeds weer gewogen
Nooit te licht bevonden

De glinstering van altijd verse wonden
Verpletterende slag op koeienogen
Maken hem keizer in zijn vleespaleis


Jean-Paul Franssens (1938-2003)
uit: Zuiderkerkhof 1 (1997)



Die slager had zijn winkel in de Cornelis Schuytstraat. Boven huurde ik een etage bij mevrouw Groenlo. ’t Was niet meer dan een zolderverdieping die ik voor veel te veel geld door een Amsterdammer heb laten verbouwen. Open keuken. Badkamer. Ik betaalde er tweehonderd gulden per maand. Die verbouwing kostte, ik meen, zo’n twintigduizend gulden. Ik woonde er nog maar drie jaar toen slager Varkenskop het huis kocht en mij als onderhuurder op straat zette, nadat hij letterlijk het dak boven mijn hoofd liet slopen.
        ‘Achter zijn hakblok hakt hij zelden mis.’ Tot mijn niet geringe vreugde hoorde ik, toen ik eindelijk na veel verhuizerij op het Zuiderkerkhof was beland, dat hij toch misgeslagen had. Invalide. Gloria! Dat komt ervan. Terwijl ik het er zo naar mijn zin had gehad. Verhuisbaar parket. Mijn badkamer van gelakt teakhout. Voor, in de zolderingen grote tuimelramen, waardoor ik die ruimte als atelier kon gebruiken. Mevrouw Groenlo was een aardig mensje. Haar grijze hoofd met de keurige krulletjes schudde altijd ongecontroleerd omdat er ergens binnenin iets niet goed meer vastzat, ze wiebelde op haar dunne beentjes.




• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

Voor de verre prinses -- Chrétien Breukers

Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.

De reeks verschijnt in 2017 in boekvorm bij uitgeverij Prominent.

Aflevering 1: Hebban olla uogala nestas hagunnan
Aflevering 2: Anneke Brassinga -- Liefdeslied
• Aflevering 3: Gerrit Achterberg -- Code
Aflevering 4: H.H. ter Balkt -- Zij draagt een glas water de trap op
Aflevering 5: Paul Snoek -- Een zwemmer is een ruiter
Aflevering 6: Sebastiene Postma -- XXXVIII
• Aflevering 7: Paul van Ostaijen -- Avondgeluiden
• Aflevering 8: Jan Kostwinder -- Afscheidslied
Aflevering 9: Frans Budé -- Goedbewaarde dagen
Aflevering 10: Herman De Coninck -- Water. Soms loopt het rechtdoor
Aflevering 11: Marleen de Crée -- Roses and roses
Aflevering 12: Luuk Gruwez -- Trouw
Aflevering 13: Hans Faverey -- Hoe zij recht staat
Aflevering 14: Jan G. Elburg -- Willen

zondag 20 december 2015

Albert Bontridder -- Wonen in ballingschap

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* dbnl
* wikipedia
* in memoriam
* schrijversgewijs









Wonen in ballingschap

Wie zegt
dat wij niet meer weten
waarom wij ons zo ellendig voelen
in dit land,
in deze straten,
huizen en kamers,
in deze lege tempel van bestaan?

Sommigen zeggen nog
dat wij zelfs niet meer weten
dat wij ontheemden zijn,
dat wij ooit een thuis hebben gehad
en woonden
in de tuin van de kennis,
tussen bomen,
met woorden ruisend in alle takken,
tussen wolken,
zoenend met talloze lippen,
tussen dieren
met elk hun naam in de ogen,
tussen de namen van al wat was en blijft
en goed is,
omdat het genoemd kan worden,
ook in de wending,
wanneer het de tegenvoeter uitdaagt
zich bloot te geven.

Aan de grenzen van de tuin,
in de buitenste duisternis,
in weerwil van de harde zon,
het ontij van water en vuur,
de orde van dieren en planten
die elkaar verslinden
om zich in stand te houden,
is wonen een heimwee geworden,
een vervreemding,
verbanning,
een moeizame tocht in het teken
van de keerzijde,
de rug als geloochend gelaat en getal,
afstand die de tuin van de oorsprong
in het falend geheugen
overeind tracht te houden:
verweer tegen het einde,
maar vooral tegen het vermoede begin.

Albert Bontridder (1921-2015)
uit: Wonen in de vloed (2012)



• Speel het gedichtenspel

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

vrijdag 18 december 2015

Voor de verre prinses 14: Jan G. Elburg -- Willen

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* wikipedia
* dbnl
* interview








• Vandaag de veertiende en laatste aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Willen

Ik neem mijn buik op en wandel,
ik heb mijn ogen open,
ik heb mijn borst als kennisgeving aangeslagen,
ik zou die pijnboomhouten paal in mij
vertikaal willen treffen met licht:
een lang lemmet licht om de dagen te turven.
Ik zou een rood totem willen snijden
waarom mijn hartstocht zich als wingerd slingert,
een beeld voor alledag, waaraan de vingers leven.
Ik heb te nemen.

Ik zou een mens willen maken uit wrok
en afgeslagen splinters: een winterman
met een gezicht van louter ellebogen.
En bomen zouden stampen bij zijn langsgaan
en had hij één minuut te leven,
rood zou hij zijn en rood van kindertranen
en rood.

Ik pak mijzelf als altijd weer tezamen,
ik zie het water aan,
ik neem mijn hongerige maag en wandel,
ik zie een eetsalon voor twintig standen:
wanden zijn er genoeg; hij vloekt
van een doorvoeld gemis aan ramen.

Luister toch wat ik zeggen wou:
in Florida schildert men negers zwart,
in Florida schilt men negers
en Spanje stinkt van het bloed.
Ik wou van mijn lijf een Korea maken,
ik wou mijzelf zijn beneden mijn middenrif,
ik wou een vlag zien kiemen uit een zaadje.
Ik zal het kiemen zien.

Jan G. Elburg (1919-1992)
uit: Ik zie scherper door de taal (2011)


Lieve Prinses,

Zo meteen stappen we uit deze brieven, de werkelijkheid in. In het Evangelie van Johannes zegt Jezus tegen een zieke: ‘Sta op, neem uw bed-deken op, en wandel.’ Het hielp, want ’terstond werd de mens gezond, en nam zijn bed-deken op en wandelde.’ Maar ja, dat was in de Bijbel. Wij zitten in de werkelijkheid, althans, we zitten nu nog in de werkelijkheid van deze tekst, en straks lopen we weer in het open veld, zoals bij Jeannette Winterson. Het is allemaal ingewikkelder dan ik dacht, voordat ik er aan begon.
    Vroeger maakte ik mijn bed heel strak op, elke ochtend, alsof ik in dienst zat en controle kon krijgen van een sadistische sergeant. Tot ik op een dag ergens las dat het niet goed is om dat te doen. Dat geeft de stofmijten te veel een kans om tot ontplooiing te komen, wat voor iemand met mijn licht-onvlambare huid geen goed idee is. Nu maak ik mijn bed anders op, en als er ooit iemand komt die zegt dat ik mijn bed-deken moet oppakken, is dat zo gebeurd.

De Vijftigers is de laatste dichtersgroep die voor een waterscheiding in de Nederlandstalige poëzie heeft gezorgd. De Tachtigers deden het eerder ook, de Maximalen waren achtendertig jaar later te laat. Het werkte niet meer. Het manifest was reclamefolder geworden.
    Toen Simon Vinkenoog zijn bloemlezing uit de nieuwe poëzie publiceerde, Atonaal, was het 1951, de Tweede Wereldoorlog was nog maar zes jaar geleden, de dichters wilden schoon schip maken, maar vooral wilden ze aansluiten op de poëzie die in Nederland voor de oorlog was verwaarloosd, die van het surrealisme, DaDa, het expressionisme en de Europese avant-garde. De dichters hadden niet alleen letterlijk honger, ze hadden honger naar het woord.
Alleen daarom al was die beweging interessant. Natuurlijk ging een en ander gepaard met wat zinloos poëtisch geweld, dichters die voor de oorlog nog een zekere positie bekleedden, werden met verbaal geweld verjaagd. Men schrok ervan. Simon Vestdijk gaf het dichten helemaal op en schreef een boek over Nederlandse poëzie met de titel Voor en na de explosie.
    Wat De Vijftigers in Nederland niet zozeer introduceerden, maar wel voor het eerst bijna volledig in de praktijk brachten, is het lichamelijke schrijven. Gerrit Kouwenaar droeg, in zijn vermomming van Napoleon, een bloedjas. Lucebert schreef de Johannes die ik hierboven citeerde al na: ‘Het vlees is woord geworden’. De Lucebert die, als een achterkleinzoon van Friedrich Hölderlin, soms woorden tekort kwam om te zeggen wat hij zeggen moest:
haar lichaam heeft haar typograaf

spreek van wat niet spreken doet
van vlees je volmaakt gesloten geest
maar mijn ontwaakte vinger leest
het vers van je tepels venushaar je leest

leven is letterzetter zonder letterkast
zijn cursief is te genieten lust
en schoon is alles schuin
de liefde vernietigt de rechte druk
liefde ontheft van iedere druk

de poëzie die lippen heeft van bloed
van mijn mond jouw mond leeft
zij spreken van wat niet spreken doet
Toen ik je voor het eerst aanraakte, merkte ik dat je overal mooie bochtjes hebt. Je lichaam is rank en vrouwelijk. Ik was op bekend terrein en viel toch van de ene verbazing in de andere. Je was een gedrukte tekst die zo mooi was vormgegeven dat het lezen ook seks zijn.
    Wat ik tegelijkertijd besefte, was dat je geest inderdaad van vlees is. Je bent een lichaam. Wij zijn twee lichamen, lichamen die bij elkaar zijn gekomen en elkaar in een boekhandel hebben ontmoet, tijdens een lezing van twee schrijvers. Twee lichamen die die avond ineens cursief naast elkaar stonden. Dat is prozaïsch en poëtisch tegelijk.

Wat nu? Hoe kan ik uit deze woorden stappen? Elburgs gedicht ‘Willen’ is, naast veel andere dingen, in elk geval een wonder van waardigheid. Hier is iemand aan het woord die met een paar mokerslagen weergeeft wat hij wil en die toch nergens, ondanks zijn agressie en zijn geladenheid, het heft uit handen geeft.
    Hier is iemand aan het woord die erotiek, en pure lust, zonder omwegen inzet en sacraal maakt. Seks is niet vies, zoals mij in mijn jeugd nog werd geleerd, althans, dat probeerde men mij te leren toen ik met een buurmeisje was betrapt, we speelden doktertje; ik was vier en onschuldiger zou het nooit meer worden.
    Seks is zo heilig als die totempaal, ‘waarom mijn hartstocht zich als wingerd slingert’.
    Soms is een lichaam heilig. Maar daarvoor moet je het heel dicht kunnen naderen. Niet altijd is dat mogelijk, niet altijd lukt dat. Het heilige is net zo onbenaderbaar als de tovenaar in The Wizard of Oz en net zo heilig en ‘gewoon’ in één, en sacraal betekent zowel heilig als vervloekt.
    In de tweede strofe beschrijft Elburg een man die het niet is gelukt, een kindermoordende oude God, humorloos, wrokkig, uit op wraak. De God van het Oude Testament. Een alleen opererende God.

In de derde strofe herneemt hij zich, al bekreunt hij zich om het gebrek aan ramen, om het gebrek aan de gelegenheid om, letterlijk, naar buiten te kunnen kijken. Maar hij herneemt zich, hij neemt zijn lege (na-oorlogse) maag op en hij wandelt. Als een man.
    Een man die met een soort oerkreet eindigt. Een oerkreet die niet voor niets de toekomstige bevruchting (van het gedicht, van de vrouw?) aankondigt. Hier is het woord vlees geworden en heeft het vlees zich herpakt, waarna het woord opnieuw ontstaat, uit het vlees. Net als de ‘Heerscher’ van H. Marsman kan hij zeggen: Hij schreed / en ruimte was hem soepel kleed / aan ’t koele lijf.’

We moeten nog van alles in het leven. Woorden morsen. Daden stellen. Besluiten nemen die het universum even scheef zetten. Opleven en ten onder gaan. Willen. De wil om wat dan ook te doen met hoofd en hart ten uitvoer brengen. Toezien dat het mislukt en lukt. Jij pakt daartoe jouw buik met mooie rondingen op en ik, ik neem een iets grotere koffer voor de mijne. Kijk, daar lopen we. Twee mensen in het begin van de eenentwintigste eeuw. Kleine mensen in een wereld die zo groot is dat we geen idee hebben hoe groot. Zelfbewust. Vervuld.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.

donderdag 17 december 2015

Voor de verre prinses 13: Hans Faverey -- Hoe zij recht staat

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* wikipedia
* dbnl
* wat gedichten
* Hans Faverey en de liefde







• Vandaag de dertiende en een-na-laatste aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Hoe zij recht staat; dat ik zie
hoe zij dit doet door zo te staan
zoals zij gewoon is: haar voeten
iets uit elkaar, haar armen

neerhangend, haar kin iets omhoog;
zo snel denkend, dat haar stem eerst
liever wacht of het de moeite loont
om het te zeggen. Juist zij is het

die afkomstig is uit zichzelf. Al
wie haar nadering heeft herkend,
al wie haar stem heeft doordroomd:
die zal zich nooit kunnen vergeten.

Hoe onmooi is haar schoonheid.
En hoe welluidend op haar handpalm
alles zal kunnen verstuiven tot het
nooit heeft willen bestaan.

Hans Faverey (1933-1990)
Gedichten 1962-1990 (2010)


Mooiste Onmooie,

Toen ik deze reeks begon, wilde ik oude en nieuwe gedichten behandelen, maar gaandeweg begreep ik dat dit zinloos is. Alle goede gedichten zijn niet alleen tijdloos, ze raken ook andere gedichten, uit vroeger tijden, aan. Hans Faverey is verbonden met mystici, met hermetische dichters uit de negentiende en twintigste eeuw, en met de dichters die de decennia na zijn dood probeerden om het woord net zo te slijpen als hij het deed. Alle goede dichters zijn familie van elkaar.
    Dit gedicht is een mirakel. Begrippen als ‘ontroering’ of ‘vakmanschap’ hebben er niet zozeer geen vat op, ze zijn ontoereikend. Hier is Faverey heel dicht bij de poëzie die alleen als poëzie bestaat, terwijl hij er toch, zonder dat ik weet waarom, een maximum aan betekenis (en zeggingskracht) in weet te stoppen.
    Als ik de dichter op de voet volg, ‘zie’ ik hoe iemand zijn vrouw of geliefde beschrijft, dat zij, ‘die afkomstig is uit zichzelf’, volledig buiten hem om bestaat, en dat juist dat, misschien, de reden is waarom hij van haar houdt – dat, en haar schoonheid, die ‘onmooi’ is.
    Tegelijkertijd gaat het gedicht niet over de liefde, maar over de grens tussen twee mensen, over de noodzaak om jezelf te zijn, los van en samen met de ander, over de opbouw van het subject door de omgang met anderen.
    In zijn essaybundel Intimiteit onder de melkweg schreef Herman de Coninck naar aanleiding van dit gedicht: ‘Deze minst neorealistische dichter die ik ken kan, als het erop aankomt, de meest intense, intimistische neorealistische strofe schrijven. Om juist dáár raadselachtigheid aan mee te geen.’ En hij probeert een paradox te vatten, namelijk: ‘dat je het, als je het er echt over wil hebben, over liefde, alleen over details kunt hebben. Niet over sproeten, maar over één sproet.’
    Toen Faverey debuteerde, lag het poëziediscours in stukken uit elkaar. Experiment en (neo-)realisme bestonden naast elkaar, in de coulissen draaide Gerrit Komrij zich warm om de poëziewereld op te schudden. Strenge intertekstualiteit en strikte anekdotiek bestonden naast elkaar, bestreden elkaar, er werd gezocht naar een balans, een manier om tot een standpuntbepaling te komen.
    Volgens mij heeft Faverey zich daaraan altijd proberen te onttrekken, zijn werk is een lange poging om zich te distantiëren, om zijn eigen grenzen af te bakenen, om zijn positie te bepalen. De dichter Faverey schrijft dat allemaal heel precies op, maar tijdens het schrijven vallen zijn eigen wapens hem uit de handen. Het is ook een weerloos gedicht, een gedicht dat eindigt, zoals zo vaak bij Faverey, in het niets.
En hoe welluidend op haar handpalm
alles zal kunnen verstuiven tot het
nooit heeft willen bestaan.
Daarmee zijn we er nog niet. Dit gedicht begint met een beschrijving, van hoe zij staat. De dichter bekijkt haar.
    Toen we voor het eerst samen in een café zaten, tijdens onze eerste afspraak, was je soms heel erg aan het nadenken voordat je iets zei. Was je daarmee klaar, na een paar seconden, dan wapperde je met je handen en zei je eerst: ‘Ik weet niet of ik dit moet zeggen.’ Om het daarna alsnog te zeggen.
    Dat was onweerstaanbaar. Het gewapper met je handen, het nadenken, tot aan het fronsen toe, het nemen van een aanloop. En hoewel je toen nog niet verliefd op me was, zag ik dat er ergens in het universum een radarwerk op gang was gebracht, een radarwerk dat we niet meer stop zouden kunnen zetten en dat tot zijn eigen einde zou doordraaien.
    Het was niet de mooiste avond, dag of nacht die we met elkaar doorbrachten, maar het was wel de eerste keer dat we bij elkaar waren in die setting, dat de hele wereld om ons heen draaide en in harmonie was. Althans, dat vond ik. Voor mij mocht dat eeuwig zo doorgaan. Alleen was twee uur sluitingstijd.
    Faverey zegt nog iets anders, wat volledig van toepassing is op jou. ‘Juist zij is het die afkomstig is uit zichzelf.’ Dat wist ik toen ik je voor het eerst zag, en ik wist ook dat dit allerlei risico’s met zich mee zou brengen. Want inderdaad, dat zou ik nooit kunnen vergeten, net zoals ik mijzelf nooit zou kunnen vergeten. Ik zag het en het was er, voorgoed.
    Die slotstrofe vind ik niet ingewikkeld, maar onverdraaglijk. Omdat hij mooi is en omdat ik dat niet wil. Ik wil niet verdwijnen, zelfs niet als het vanaf je handpalm mag. Misschien ben ik nog niet, zoals Faverey, in staat om de onthechting tot in het definitieve door te voeren.
    Ooit komt er een tijd dat dit gedicht net zo onbegrijpelijk is als de gedichten van Jan van der Noot (1539-na 1595) voor ons. Een toekomstige lezer zal zien wat er in deze regels staat, zonder ze precies te kunnen doorgronden. Het Nederlands is veranderd, de poëtische conventies hebben een ontwikkeling doorgemaakt en de cultuur lijkt in niets meer op de cultuur die wij kennen.
    Als het zo ver is, zijn wij er ook niet meer. Dus daar hoeven wij ons nu niets van aan te trekken. Ik kan mijn gedachten over jou eraan verbinden, ik kan het je voorlezen, jij kunt het lezen en je kunt het in verband brengen met dingen die we hebben meegemaakt. Het is een levend ding van taal.
    Door deze hele reeks heen heb ik ‘de liefde’ en de poëzie met elkaar verbonden. Ik wist niet dat ik dit op deze manier zou gaan doen, toen ik eraan begon. Je had me gevraagd om mijn favoriete gedichten uit te kiezen, de brieven kwamen daarna, al waren ze wel onvermijdelijk. De bloemlezing was de moeder van een brievenboek.
    Misschien ontstaat een gedicht wel op die manier. Als resultaat van een vraag, of een opdracht, en toch volledig uit zichzelf. De tekst als antwoord op een vraag, maar wel een antwoord waarin veel meer wordt gezegd dan in de vraag besloten lag. Ik ben, nu er nog een brief in het vat zit, verbaasd over de manier waarop alles in elkaar greep, zonder dat ik het kon plannen.
    In het boek Op het lichaam geschreven van Jeannette Winterson geeft de hoofdpersoon een geliefde op, om haar te redden. Ze is ziek en haar man is de enige die haar een kans op genezing kan bieden. Het boek is vervolgens een litanie van gemis en verdriet. Tot de geliefde op het eind terugkeert. En dan komt er een alinea die, net als het gedicht van Faverey, gaat over een vorm van vrijheid die bijna niet te bereiken is:
Hier begint het verhaal, in deze armoedige kamer. De muren exploderen. De ramen zijn veranderd in telescopen. Maan en sterren worden vergroot in deze kamer. De zon hangt boven de schoorsteenmantel. Ik strek mijn hand uit en raak de hoeken van de wereld aan. De wereld is samengepakt in deze kamer. Achter de deur, waar de rivier is, waar de wegen zijn, zullen wij zijn. We kunnen de wereld meenemen als we gaan, de zon in een bundeltje onder je arm. Opschieten, het is al laat. Ik weet niet of dit een goede afloop is maar daar zijn we dan, losgelaten in het open veld.




Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.  

woensdag 16 december 2015

Voor de verre prinses 12: Luuk Gruwez -- Trouw

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

* website
* leestafel
* wikipedia
* dbnl
* nacht vd poëzie








• Vandaag de twaalfde aflevering uit de reeks Voor de verre prinses, waarin telkens een gedicht de aanleiding is voor een brief. Na afloop kunt u de gehele cyclus downloaden in een pdf, die desgewenst ook te printen is. Een decembercadeau voor de Coster-lezers.
Voor de verre prinses bestaat uit veertien liefdesbrieven over en naar aanleiding van evenveel Nederlandstalige gedichten. Chrétien Breukers beschrijft (op verzoek van zijn geliefde) gedichten die hem een leven lang zijn bijgebleven, wat die gedichten voor hem betekenen en wat voor hem het verband is tussen poëzie, leven en liefde. Persoonlijke notities die samen een korte geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie vormen.


Trouw

O ja, ik ben je trouw, zo gruwelijk trouw.
Ik ben besmet met jou en mij en ons.
De natuur, schrijft Sade, is even trouw
aan een krop sla als aan een mens.
Ik ben de rokkenjager van één vrouw.

In Europa heerst enorme stilte
en is er niemand thuis. Maar vanochtend,
onder mijn donkerste den,
stond daar opeens mijn moeder weer,
onwetend van haar eigen overlijden:
bepaald adres, het hare, ergens kwijt,
sjaal vergeten, jas nog in de stomerij,
onzeker over mijn boterhammen.
Maar toch wel dood en zelfs voorgoed.
Niet daarom is Europa stil.

Het is stil omdat het nu augustus is,
omdat Europa uitrust van zichzelf.
O ja, ik ben je trouw, zo gruwelijk trouw,
mijn kwetsbare, mijn tederste krop sla.
En het doet zeer in Afrika, in Canada,
Antarctica, maar bovenal in eigen vel.

Luuk Gruwez (1953)
uit: Garderobe (2015)

Veelbladige Kropsla,

Het menselijk tekort is een bron van ellende. Van alle ellende, denk ik soms. Met een trefzekerheid waar je normaal gesproken jaloers op zou zijn, neemt iedereen, in bijna alle omstandigheden, feilloos de verkeerde beslissing. Het is ontmoedigend, al heeft het ook wel eens iets moois, als je er niet al te zeer bij betrokken bent.
    Daarom heeft de hoofdpersoon in ‘Trouw’ gelijk als hij het overzichtelijk houdt. Trouw is een ingewikkelde staat van zijn, waar ik, als ik eerlijk moet zijn, niet altijd goed in ben geweest. Daarbij ben ik, net als de hoofdpersoon van ‘Trouw’, een beetje onhandig. Voor iemand die schrijft kan ik het niet altijd even goed zeggen. Een vriend van mij noemde me wel eens ‘Daffy’, naar Daffy Duck, die almaar voorover valt en zijn snavel verbuigt, die hij dan weer terug moet klappen. Toch is die onhandigheid ook weer niet zo groot, dat alles wat ik doe er onder doorbuigt.
    De trouw die ik je bied, of kan bieden, rust op een fundament waarvan je je misschien kunt afvragen of het wel stabiel is, dat verleden in acht nemend. Ik wéét weliswaar dat dat dan ten onrechte is, maar elke twijfel die je zou kunnen formuleren is, van jou uit gezien, terecht; en toch is die twijfel niet terecht, want mijn trouw is volledig, zonder precedent. Ik weet dat zeker.
    Waarom vertel ik je dit allemaal, in deze brief? Misschien omdat ik je, tijdens een van onze eerste gesprekken, vertelde dat ik je niet meer te bieden heb dan twee lege handen. Ik heb mezelf niet mooier gemaakt dan ik ben, ik heb geen flauwe smoesjes van stal gehaald om je te veroveren, ik heb je alleen maar verteld wat ik van je vond, vanaf het moment dat ik je ontmoette: ik zag wat ik voor je voelde als een bouwwerk dat al helemaal af was voor me oprijzen.
    Je raakte me op een manier die ik nog niet eerder zo had meegemaakt, en vanaf het begin wist ik dat het niet alleen verliefdheid was. Het was iets anders, iets dat me zelfs zou kunnen laten aanvaarden dat je ooit, in een ooit dat nooit mag aanbreken, zonder me wilt leven.

Een liefde die voor eeuwig duurt, zoals in ‘Trouw’ beschreven, begint vroeg en moet het door de jaren heen zien te redden. Ik ken twee stellen die het zo vanaf hun twintigste met elkaar hebben gered. En het is mooi om te zien. Mensen die al dertig jaar bij elkaar zijn. Door dik en dun, als je dat zo mag zeggen. Het bouwt een vertrouwdheid op die ik nu pas kan begrijpen, en die er wel is en die de partners een zekere glans verleent, van mij uit gezien.
    Wij hebben een late, of latere liefde, en daaruit is het verleden van ons allebei niet meer weg te poetsen. We zijn nu eenmaal geen twintig meer, niet langer zo jong als toen de liefde nog een kwestie was van, ja, van wat? Wat heeft mensen in hun vroege jeugd ertoe aangezet om definitief te kiezen? Of wisten ze het toen ook nog niet, dat het voor altijd zou duren?
    Wij bouwen op een fundament dat is gemaakt van brokstukken, losse stenen, herinneringen aan verdwenen geluk, of geluk dat nog ergens in een soms afgesloten deel van onze hersens voortleeft, gruis, gemalen ervaring en zekerheden die we ondanks alles met ons meeslepen. Een stevig fundament, wat mij betreft. Geen luchtkasteel, geen sprookje en geen luchtfietserij.

Waarom verbindt Gruwez in dit gedicht de trouw aan zijn geliefde met een herinnering aan, of een droom over zijn moeder, met Europa - om dan te eindigen met deze regels: ‘O ja, ik ben je trouw, zo gruwelijk trouw, / mijn kwetsbare, mijn tederste krop sla. / En het doet zeer in Afrika, in Canada, / Antarctica, maar bovenal in eigen vel.’
    Ik denk dat ik het begrijp. De dichter wil zijn geliefde vertellen dat hij voor altijd de rokkenjager van haar rok blijft, zoals ik jou wil vertellen dat ik altijd achter al jouw rokken en jurken zal jagen. Maar hem zitten dingen dwars. Herinneringen aan de dood van zijn moeder. De ‘maatschappij’ die hem op de nek zit en de ellende in de hele wereld en de mening daarover, die van hem wordt verwacht.
    En dan dat eeuwige geknaag, binnen, aan je hart. Die pijn, in eigen vel. De weemoed die som opkomt en het hem niet gemakkelijk maakt. De pijn die hem het meest dwarszit, ondanks alle gedoe in de buitenwereld en die misschien kan worden gestelpt door zijn moeder, die zich zorgen maakt over het aantal boterhammen dat hij heeft gesmeerd.
    Maar vooral is daar de tederste krop sla. De vrouw die hem min of meer begrijpt en die zijn onhandigheid niet door de vingers ziet. Ze leidt die in goede banen. De vrouw die hem verzoent met de stellingen over de buitenwereld die hij onmogelijk kan innemen. De vrouw die hij eeuwig trouw kan zijn, omdat ze volledig zichzelf is, en hem volledig zichzelf laat zijn.
    Zekerheden worden niet meegeleverd, in dit leven. Nou ja, sommige zekerheden wel, maar de zekerheid dat alles altijd goed gaat helaas niet. Ik doe al anderhalf jaar mijn best en ik lijk nu meer op de persoon die ik vroeger was, voordat ik verzandde in concessies en wensdromen. Het fundament is klaar, ik heb het met mijn lege handen in elkaar gezet en het kan eindeloos mee, want het is een work in progress.
    Alle dingen die ik niet kan zeggen, en dat zijn er veel, zal ik niet tegen je zeggen. Ik kan een ding zeker wel zeggen: ik ben je trouw. Dat is niet genoeg. Ik hou van jou. Ik ken het werk van De Sade niet zo goed. Maar als je je groene jurk draagt wil ik in je bijten, als in een verse krop sla. En ben jij degene die me verlost van de pijn in het eigen vel.



Chrétien Breukers (1965) is dichter en prozaschrijver. In 2014 verscheen zijn veelgeprezen Een zoon van Limburg, in 2015 gevolgd door Lot. In januari 2016 verschijnt zijn dichtbundel De zomer haalt nog één keer uit en de novelle Fresh Up. Tussen 2005 en 2015 was Breukers redacteur van het literaire weblog De Contrabas.